Egypte.
Het dagelijkse leven
De Egyptenaren
bereidden zich zorgvuldig voor op een leven na de dood. Dat blijkt wel uit de
tekeningen van graven van werklui en ambtenaren. Op deze tekeningen staan
zorgvuldig alle voorwerpen en middelen vermeld die nodig waren om succesvol aan
een nieuw leven te beginnen. Om niets aan het toeval over te laten, lieten ze
dat ook in de tekeningen van het graf vereeuwigen om maar niet tekort te hoeven
komen.
Voeding
De basis van
alle maaltijden bestond uit brood en bier. Hiermee betaalde men ook bijvoorbeeld
arbeiders in de steengroeve of van grote bouwprojecten. Van twee soorten graan
is aangetoond dat deze verbouwd werden: gerst en spelt. Om de verschillende
deegsoorten verschillend te laten smaken voegde men vruchten toe en gebruikte
men volkoren- of tarwebloem. Een belangrijk onderdeel van de voeding, vooral
van de onderste lagen, waren peulvruchten, zoals linzen, tuinbonen, erwten,
kikkererwten en hoornklaver. De menukaart van de rijkere mensen vertoonde meer
afwisseling. Hierop vinden we een veelheid van groenten zoals waterkers,
postelein, latuw, uien, knoflook en pompoenen maar ook wortelstok, zaadjes van
de lotus en delen van de papyrusplant. Geliefde fruitsoorten waren wijndruiven,
vijgen en sycomoorvijgen, dadels en noten van de doempalm en sinds het Nieuwe
Rijk ook granaatappels. Dit was een geïmporteerde fruitsoort uit Voor-Azië maar
als snel ging men over tot het zelf kweken hiervan.
Delicatessen
Naast het bier
en brood genoot de onderste laag van de bevolking ook van peulvruchten en
groenten alsmede goedkope soorten vis en pluimvee en geiten-, schapen- en
varkensvlees. Op verschillende ostraca (steen- en aardewerkscherven) staan
vermeldingen dat de elite wat meer levensmiddelen tot hun beschikking hadden.
Bij gewone of
de wat kleine huizen was het niet mogelijk om vee te houden. Dat was eigenlijk
een maar mogelijk voor de mensen met een grotere behuizing zoals hofstedes en
villa’s van hoge ambtenaren. In de stallen of bijgebouwen hield men het vee en
daar kon men de dieren ook slachten en eventueel verder verwerken. Meestel
verwerkte men het net geslachte dier onmiddellijk. Het werd of gekookt in grote
pannen of mijn grilde het op een groot open vuur. Wilde men het vlees
conserveren voor later gebruik dan werd het gepekeld of gedroogd.
Behalve op
bijzondere feesten beperkte de consumptie van wijn zich tot de huishoudens van
de hoge ambtenaren en het koninklijk paleis. Wijn werd destijds voor een deel
geïmporteerd uit voor-Azië, vooral uit Syrië, omdat er in Egypte maar op kleine
schaal druiven werden geteeld. Wijnranken vergden bijzonder onderhoud. Men
plantte ze in speciale grond, die verrijkt werd met slib uit de Nijl. De beste
wijngaarden lagen in de Nijldelta en in de oase. Vaak waren ze staatseigendom.
Verzorging
De meerderheid
van de Egyptische bevolking baadde in de Nijl of kanalen en vijvers. Alleen de
elite kon zin in huis een bad of douche veroorloven. In de kamer waar het bad
was bevond zich meestal ook het toilet.
Als zeep
gebruikte men natron of speciale waspasta’s die tegelijkertijd een
huidverbeterende werking hadden. Ze bestonden uit dierlijke of plantaardige
vetten, vermengd met kalksteen of krijt. Voor het kwijtraken van een
onaangename lichaamsgeur gebruikte de Egyptenaren vooral aromatische stoffen
zoals wierook, aluin en mirre. Deze werd vervolgens gewoon op de huid gewreven.
Voor een aangename adem waren er een soort pillen. Deze zogenaamde
kyphi-pastilles bestonden uit de gemalen zaadjes van de hoornklaver vermengd
met wierrook, mirre, jeneverbes, het gomhars mastiek, rozijnen en honing.
Kleding
De Egyptenaren
droegen het liefst linnen stoffen, hoewel ze ook wol gebruikten en grove
weefstel van bast. Zeer geliefd waren zuiver witte, ragfijne linnen weefsels
die men tot fijne plissé vouwde. Er zijn verhalen bekend dat deze stoffen ook
nog eens gebleekt werden voor een extra wit resultaat. Na het wassen legde men
de kleding vervolgens in de zon. Naast het bleken kenden de Egyptenaren ook het
verven van kleding.
Standbeelden
van de koningen en burgers geven een goed beeld van de veranderende mode. In
het Oude Rijk en het Middenrijk droegen vrouwen eenvoudige en nauwsluitende
jurken, de mannen knie- tot kuitsluitende voorschoten. Sinds het Nieuwe Rijk
gaf men echter de voorkeur aan wijd zittende tunica’s. Vrouwen droegen grote
wikkeljurken van een grote lap rechthoekig stof. Bij officiële gelegenheden
droegen mannen en vrouwen een pruik in verschillende lengtes en kapsels.
In alle
periodes was het voornaamste schoeisel de sandaal. Sandalen werden vervaardigd
uit plantaardige grondstoffen zoals palmbladeren, grassoorten, bies of papyrus.
Ze werden waarschijnlijk niet gemaakt in werkplaatsen maar door de vrouwen
thuis. Er bestond ook een duurdere variant, deze werden van leer vervaardigd en
waren duurzamer dan de goedkopere variant.
Familie
Een gezin
bestond zoals gewoon uit de ouders en de kinderen. Banden met overige
familieleden waren oppervlakkig. Dat blijkt ook wel dat de Egyptenaren geen
woorden hadden voor oom, tante, neef, nicht enzovoort. Desondanks beeldde men
soms wel verre verwanten af in grafstèles naast de directe familie. Naast de
familie woonden er in een huis van de beter gesitueerden ook de personeelsleden
die een groot gedeelte van de werkzaamheden in huis verrichtten.
Het huwelijk
gold als de algemeen geldende leefvorm. Had de man een passende leeftijd
bereikt om een familie te onderhouden, dan stichtte hij een gezin. Normaal
gesproken trok de vrouw dan bij de man in. Slecht in enkele gevallen trok de
man bij de vrouw in. Huwelijkscontracten kwamen er pas aan te pas in de 22ste
dynastie. Ze waarborgden de financiële zekerheid van de vrouw bij scheiding of
overlijden van de man. Voor het familie-inkomen was in eerste instantie de man
verantwoordelijk. De vrouw was op haar beurt verantwoordelijk de kinderen te
onderhouden in overeenstemming met zijn levenstandaard. Huwelijken waren voor
de gewone mensen over het algemeen monogaam maar als een huwelijk kinderloos
leek te gaan worden nam met gewoon een andere vrouw, bijvoorbeeld een slavin,
erbij. De kinderen uit deze relatie hadden dezelfde juridische status als hun
moeder.
De vrouw was in
juridisch opzicht gelijkwaardig aan de man. Zij kon contracten sluiten, als
aanklager of getuige voor de rechtbank optreden, de voogdij over een kind op
zich nemen en haar bezit vererven. Het bezit van haar man ging echter over op
haar kinderen, omdat het erfrecht zich beperkte tot bloedverwanten. Het doel
van elk huwelijk was voor nakomelingen te zorgen. Deze moesten voorzien in de
oude dag van hun ouders. Bovendien waren ze verwantwoordelijk voor het
voortzetten van de dodencultus bij het ouderlijk graf. Hoewel het aantal
kinderen per gezin heel hoog was, het sterftecijfer onder de jonge kinderen was
dat ook.
De opvoeding
van de kinderen was in de eerste jaren voornamelijk in handen van de moeder.
Bij de zoon nam de vader vanaf een bepaalde leeftijd deze plicht over. Hij
leidde hem op tot zijn assistent en opvolger. Moesten kinderen een andere
beroep gaan uitoefenen dan hun vader, dan stuurde men ze naar scholen, die vaak
onderdeel waren van de tempels. Hier leerde men vooral rekenen, lezen en
schrijven. Een ander belangrijk punt in de opvoeding was de vorming van de
persoonlijkheid naar een bepaald ideaal. Dit ideaal was nauwkeurig geformuleerd
in de zogenaamde wijsheidsleren.
De kalender
De oude
Egyptenaren waren zeer geïnteresseerd in de astronomie; de sterrenkunde. Al
vele eeuwen geleden wisten zij onderscheid te maken tussen sterren en planeten.
Zij kenden de planeten Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus en zelfs de
bewegingen die deze hemellichamen maakten. De wetenschap van deze planeten
resulteerde in de kalenders die de Egyptenaren maakten.
Deze eerste
kalender was gebaseerd op de sterren. De belangrijkste ster was Sirius. De
Egyptenaren noemden deze ster ook wel Sopdet en in het Grieks was het Sothis.
Ze hadden ontdekt dat Sirius zich in een constante baan om de aarde begaf. Het
gevolg van deze constante baan was dat de Egyptenaren de conclusie trokken dat
als Sirius op een bepaalde plek stond de Nijl weer begon te overstromen. Op
basis van het feit dat Sirius op deze bepaalde plek stond declameerde men dat
dit de eerste dag van het nieuwe jaar (in het Egyptisch wepetrenpet) was.
De tweede
kalender van de Egyptenaren was gebaseerd op de maan als belangrijkste hemellichaam.
De baan van maan neemt echter 29,5 dag in beslag. Dit was een heel onhandige
waarde en het gevolg was dat de kalender regelmatig aanpassingen behoefde om
maar niet te veel uit te lopen. Het was waarschijnlijk Imhotep die daarin ten
tijden van het Oude Rijk voor verandering zorgde. Hij baseerde de kalender op
een jaar; hij wist dat een jaar 365 dagen in beslag nam. Ook dit zorgde voor
problemen omdat een jaar ongeveer 365,25 dagen in beslag neemt. Het verschil
was klein maar ook in het geval van deze kalender liep men langzaam maar zeker
uit in vergelijking met Sirius.
De
Egyptenaren deelden net als wij het jaar op in weken. Alleen bij de Egyptenaren
kenden één week tien dagen. Drie weken vormden vervolgens één maand (30 dagen).
Op zijn beurt vormden vier maanden weer één seizoen (120 dagen). En aangezien
het jaar uit drie seizoenen (360 dagen) bestond, hadden de Egyptenaren het
problemen dat ze vijf dagen te kort kwamen. Dit losten ze op door het toevoegen
van vijf heilige dagen. Deze heilige dagen representeerde de verjaardagen van
Osiris, Isis, Seth, Nephtys en Horus. Al deze dagen werden op het einde van het
jaar toegevoegd en publieke gevierd als zijnde een feestdag. Dit gold overigens
ook voor de tiende dag van de week, dit was een soort weekend.
De geneeskunst
De geneeskunde
was een tak van onderwijs voor gevorderde schrijvers. Deze personen kwamen uit
de hoogste sociale kringen en genoten van een uitstekende een reputatie in de
gehele wereld. De kennis in van de geneeskunst werd gelijkgesteld aan die van
de kennis van de rituelen. Hoewel de naam dokter bij ons misschien iets anders
doet vermoeden waren de geneesheren niet vies van het uitspreken van een
bezwering.
In de loop der
jaren zijn er diverse papyrussen gevonden die betrekking hebben op de
geneeskunst. Een bekende daarvan dateert uit het einde van het Middenrijk en
wordt ook wel de Edwin Smith Chirurgische Papyrus genoemd. Deze papyrus diende
als een naslagwerk en als leerboek. In deze papyrus worden een aantal gevallen
beschreven met bijbehorende symptomen en het lichamelijke onderzoek wat vereist
is. Dan wordt een diagnose gesteld en de verwachting van herstel (geneeslijk,
behandelbaar en onbehandelbaar) indien mogelijk.
Twee andere
papyri (de Ebers- en de Berlijnpapyrus) beschrijven de verbindingen, de
kanalen, van het lichaam. Hiermee worden de aders, slagaders, spieren en pezen
bedoeld. Het hart lag hiervan in het centrum. Vanuit dit centrum werd lucht,
bloed en andere vloeistoffen (waaronder ziekten) vervoerd naar andere delen van
het lichaam. Uit deze papyrussen blijkt dat de Egyptenaren goede anatomische
kennis hadden van het lichaam. Het is niet duidelijk of ze deze kennis opgedaan
hadden uit praktische ervaringen of het mummificeren van lichamen.
Zoals eerder
gezegd was magie ook een middel om ziektes te bestrijden. Betoveringen om
slangen te bezweren en slangenbeten te genezen, verlichten of voorkomen waren
gangbaar. Dit blijkt uit een papyrus waarop veel slangen vermeld staan met
bijbehorende nauwkeurig omschreven behandelvoorschriften. nclusief de magische
spreuk!
Verloskunde
en gynaecologie waren een specialisme in het Oude Egypte. Voor de bevruchting,
zwangerschap, bevalling en bescherming van de pasgeborene was hulp van de goden
belangrijker dan wat dan ook. Dat is ook de reden dat er in papyrussen wel wat
kleine praktische tips staan maar vooral magische spreuken.
Economie en handel
Het is
eigenlijk moeilijk een goed beeld te krijgen over de vroege periodes omtrent de
handel en de economie. Er is simpelweg niet veel bewaard gebleven of niet
gedocumenteerd. Pas vanaf het Nieuwe Rijk krijgen we er pas een goed beeld van.
Dit is te danken aan Deir el-Medina. Deze stad was speciaal voor de arbeiders
gebouwd in Thebe-West. In deze stad werkten ongeveer 120 families aan graven en
tempels die speciaal voor de heersers gebouwd moesten worden in het Dal der
Koningen. Deze arbeiders leefden eigenlijk alleen op de bouwplaats of in het
dorp zelf dat afgescheiden lag van het Nijldal. De handel die ze dreven werd
vaak vastgelegd in het hiëratisch schrift op kalksteen of aardewerkscherven. Op
deze zogenaamde ostraca werden de goederenprijzen vermeld, of bijvoorbeeld de
verhuur van de ezels of zelfs de verstrekking van een krediet. Als de tekst
achterhaald was, bijvoorbeeld de huur van de ezels was afgelopen, wierp men
deze scherven en stenen in de put. In het begin van de 20ste eeuw werden er
verschillende putten gevonden door archeologen die tezamen een goed beeld gaven
van de handel die gedreven werd.
De economie was
strak geleid in het oude Egypte. Men kende het principe van een vrije
beroepskeuze niet; de zoon volgde het beroep dat zijn vader deed en zo kon de
vader direct als leermeester fungeren. De kinderen van de ambtenaren werden
naar de weinige scholen gestuurd om hier te leren lezen en schrijven. Hierdoor
konden zij later hun vader opvolgen. Ook het vrije ondernemersschap kende men
niet in het oude Egypte.
Het loon was
door de jaren heen altijd constant. Geld kende men niet. De Grieken maakten
sinds de 8ste/7de eeuw voor Christus al gebruik van munten en introduceerde dit
principe pas vier eeuwen voor Christus in het oude Egypte. Om een loon uit te
betalen gaf men de medewerker in een zak van vastgestelde grootte graan (gerst
of spelt). Aan de hand van rekenwaardes kon men dit omzetten in zilver en
koper. Een voorbeeld: de twee voormannen en de schrijver van Deir el-Medina
kregen als loon 2 zakken gerst en 5½ zak spelt. Eenvoudige werklui ontvingen
een ½ zak gerst en 4 zakken spelt. De ongeschoolde medewerker ontving nog veel
minder. De inhoud van een zak graan bedroeg 77 liter. De rekeneenheid van koper
was de zogenaamde ‘deben’, één deben was 91 gram. Het duurdere zilver werd in
‘sjenati’ (7,6 gram) of ‘kite’ (9,1 gram) afgewogen. De waardeverhoudingen van
het graan ten opzichte van het edelmetaal was onderhevig aan aanzienlijke
fluctuaties. Gemiddeld kreeg een arbeider graan ter waarde van 7 deben koper
terwijl een voorman voor gemiddeld 9,5 deben ontving. Het loon was vastgesteld
en daaraan ook de arbeidstijd die ervoor gewerkt moest worden. Het gevolg was
dat als een arbeider ziek werd, deze tijd ingehaald moest worden. Het bijhouden
van de arbeidstijd gebeurde op lijsten die regelmatig vergeleken werden met de
planning.
Prijzen die in
Egypte betaald werden voor goederen werden dus vastgelegd op de zogenaamde
ostracon. Hieruit kwam voort dat bijvoorbeeld levensmiddelen 1200 jaar voor
Christus het goedkoopst waren. Voor een kip moest ongeveer ¼ deben betaald
worden. Een halve liter vet moest het dubbele van de prijs opleveren. Manden,
voorschotels en eenvoudige amuletten waren te koop voor 1 deben. Een klerenkast
kostte een oude Egyptenaar hooguit 5 deben, een voetenbankje 2, een stoel kon
wel 8 deben opleveren en bedden waren er tot 20 debben. Vee was nog duurder in
die tijd. Een varken leverde 70 deben op, een rund kostte je 140 debben terwijl
een ezel maar 30 deben kostte. Een hemd werd verkocht voor maximaal 5 deben
maar de kostbare gewaden liepen zeker tot in de 60. Het is makkelijk een
conclusie te trekken; sommige goederen waren gewoon onbetaalbaar of moesten op afbetaling
gekocht worden.
Voor de
begrafenis werden er onvoorstelbare hoge bedragen betaald. Een graf voor een
arbeider was al snel 25 deben terwijl de voormannen voor hun versierde
grafkisten zeker 200 deben neer moesten tellen. Een extra als een mummiemasker
bracht zeker 40 deben op en een sarcofaag was nog aanzienlijk duurder. Maar een
graf bestond natuurlijk uit meer. Kleding, meubelen, levensmiddelen, kruiken,
beelden en andere voorwerpen maakten deel uit van de begrafenis. Je kunt er dus
vanuit gaan dat een begrafenis van een simpele arbeider al snel 200 deben moest
kosten. Omgerekend is dat toch zeker 30 maanden loon. Een schrijver of een
eenvoudige ambtenaar stelde hogere eisen aan zijn begrafenis en was al snel
1000 deben kwijt. Een farao was het toppunt. Als we ter vergelijking alleen de
ongeveer 100 kilo zware gouden grafkist van Toetanchamon nemen moet je ongeveer
denken aan 35.000 maandlonen van een arbeider. Om dan nog maar niet te spreken
over de overige voorwerpen die in het graf van deze jonge koning gevonden zijn.
De waarde hiervan gaat eigenlijk nu nog ons voorstellingsvermogen te boven.
De economie
functioneerde ondanks de strakke organisatie lang niet altijd goed. De eerste
meldingen van stakingen komen dan ook uit Egypte. Omstreeks 1150 voor Christus
verenigden de arbeiders uit Deir el-Medina zich en bezetten de grafkelders
waarin zij aan het werken waren omdat er een betalingsachterstand was door
problemen met de voedselvoorziening. De hoogste ambtenaar, de vizier, beloofde
beterschap en men ging weer aan het werk. Omdat de lonen nog steeds niet
uitbetaald werden ging men echter weer in staking. Pas toen de burgemeester
zelf met de salarissen in de vorm van graan en koper aan kwam, ging men weer
aan het werk. De eerste staking wereldwijd was een groot succes, zeker ook
omdat de overheid af zag van sancties tegen dezelfde arbeiders.
Het
is waarschijnlijk dat de ontwikkeling van de Egyptische economie parallel liep
aan de ontwikkeling van de staat. De voorraadeconomie en de beginnende arbeidsverdeling
staat ook in Egypte aan het begin van de geschiedenis. In het Oude Rijk werden
talrijke nieuwe beroepen uitgevonden. Het productieproces volgens de
arbeidsverdeling maakte zelfs de bouw van de piramiden en de reusachtige
tempelcomplexen mogelijk. De immense betekenis van de landbouw kan men aflezen
aan het feit dat in vrijwel geen enkel graf geen scène over de akkerbouw
ontbreekt. De basis van de economie was ongetwijfeld de landbouw. Het is daarom
waarschijnlijk ook niet verwonderlijk dat de farao vrijwel alle grond in zijn
bezit had. En daarbij hoorden alle mensen die op die grond woonden. De farao
gaf aan verdienstelijke ambtenaren grond ter exploitatie. Kwam hij op zijn
besluit terug dan onteigende hij die persoon weer en verstootte hem ook uit de
stand van grondbezitter. In latere tijden veranderde dit echter en kwamen er
steeds meer stukken grond in het bezit van families. De farao hield echter wel
zoveel over dat hij in ieder geval gegarandeerd was van inkomsten. Ondanks de
strakke planning van de economie was deze toch flexibel genoeg om van een lang
leven beschoren te zijn. Maar misschien is dat ook wel te danken aan het feit
dat iedereen in deze economie bij wet verzekerd was van een baan en daardoor
zelfs tot een bescheiden welvaart kon reiken. Of anderzijds misschien het feit
dat iedereen onder streng toezicht stond van ongewenst gedrag zwaar en hard
werd gestraft.
Wonen in het oude Egypte
Keuken
In de meeste
gevallen lag de keuken in het achterste gedeelte van het huis, bij grote
villa’s soms in de bijgebouwen. Omdat men vooral op open vuur kookte was de
keuken niet overdekt. In een hoek bevonden zich een maalsteen voor het malen
van graan en meel, een kleine oven voor het bakken van brood en een gemetselde
vuurplaats voor het koken of grillen. Grote en kleine aardewerken kruiken
dienden voor het bewaren van de voorraden. Men bewaarde hierin niet alleen
dranken maar ook graan, meel, vet of olie en geconserveerd vlees. Voor beperkt
houdbare levensmiddelen was in het huis een kleine lage voorraadkelder, die men
via enkele traptreden vanuit de keuken kon bereiken.
De inrichting
Er zijn echter
nauwelijks restanten van meubels gevonden in huizen. De meeste kennis weten we
te halen aan de hand van grafvondsten. Daaruit zou blijken dat de muren bekleed
waren met wandtapijten die kleurrijk geschilderd waren. Op de vloer lagen
matten van gevlochten plantenvezels. Deze fungeerden soms ook als matras. In
het Nieuwe Rijk schijnen stoelen te hebben behoord tot de gebruikelijke
meubelen van het ambtenarendom. Er waren allerlei vormen van stoelen; van het
eenvoudige lage krukje en de klapstoel tot de stoel met rug- en armleuningen.
Vaak werden er kussens op de zittingen gelegd om het comfort te verhogen. De
prijs van een eenvoudige stoel lag rond de 4 tot 8 deben koper. Tafels en
kasten complementeren de inrichting. Als materiaal gebruikte men vaak hout maar
ook wel stevig vlechtwerk. Echte grote tafels kent men niet, afgaande op
tekeningen die gevonden zijn in verschillende graven. Bij grote maaltijden had
iedereen een eigen tafeltje of een plaat die steunde op een houten onderstel.
Om de kleding en andere persoonlijkheden te beschermen tegen kruipende dieren
bewaarde men dit in nissen in het huis of bij de beter gesitueerden in grote
houten kisten. Zelf sliepen de mensen ook op een verhoging om zichzelf ook van
kleine dieren te vrijwaren.
Verzorging
De meerderheid
van de Egyptische bevolking baadde in de Nijl of kanalen en vijvers. Alleen de
elite kon zich in huis een bad of douche veroorloven. In de kamer waar het bad
was bevond zich meestal ook het toilet.
Koningsschap
Het koning zijn
was een goddelijke ambt. Zijn rol als plaatsvervanger van de koningsgod Horus
op aarde zegt eigenlijk al genoeg. Vanaf de 4de dynastie wordt de goddelijke
afkomst door de koningstitel 'Zoon van de Zonnegod' uitgedrukt. Sinds de
regeerperiode van Hatsjepsoet wordt deze goddelijke afkomst voorgesteld in een
beeldcyclus; de zogenaamde geboortelegende, waarbij de goddelijke vader in de
periode van het Nieuwe Rijk de rijksgod Amon-Re is.
De Egyptische
staat was een absolute monarchie. Volgens de wet ging alles wat er gebeurde in
het land terug op de heerser. Hij had op grond van zijn ambt als enige
wetgevende macht. Wetten en decreten werden door hem uitgevaardigd. Hij
benoemde ambtenaren en priesters, die allen in zijn naam en als zijn
plaatsvervanger taken in het land waarnamen. In de persoon van de koning vormen
wetgevende en uitvoerende macht een eenheid.
De Egyptenaren
hebben geen eigen begrip voor staat ontwikkeld. Het begrip staat moet
omschreven worden met uitdrukkingen die altijd tevens de koning en het
koninkrijk betekenen. Ook hieruit blijkt de centrale positie van de koning in
het land: de koning is de staat.
De bronnen
laten ons de koning zien als degene die alle beslissingen betreffende zijn rijk
neemt. Al treedt er in officiële bronnen (teksten uit de Koningsnovelle) ook
een staf van raadslieden op, hun overwegingen en voorstellen worden door de
koning in laatste instantie genegeerd. Gedaan werd datgene wat de koning zei,
en dat was juist! Op deze manier beschrijven deze teksten feitelijk niet de
reeële situatie, maar documenteren ze de grootte, wijsheid en superioriteit van
de koning. Daarmee onderstreepten ook zij zijn superieure machtspositie.
De koning was
ook de bevelhebber van de krijgsmacht. Zijn persoonlijke aanwezigheid bij
veldtochten is in vele gevallen bewijsbaar. Daarenboven was hij degene die de
beslissing over oorlog en vrede nam en het leger liet oprukken.
De koning was
niet alleen heerser over het Egyptische moederland, waarvan de klassieke grenzen
in het noorden door de Middellandse Zee en in het zuiden door het
cataractengebied bij Aswan gevormd werden, maar hij zwaaide ten tijde van de
Egyptische expansiepolitiek ook de scepter over de veroverde gebieden in Nubië
en Voor-Azië. Hij onderhield diplomatieke betrekkingen met buitenlandse staten.
Deze betrekkingen zijn het best gedocumenteerd en in het in Amarna gevonden
kleitablettenarchief met de de correspondentie tussen Egypte en de
Voor-Aziatische staten. De koning was ook verantwoordelijk voor de
ondernemingen op het gebied van de buitenlandse handel, waarvan de bekendste de
expedities naar Poent zijn, die in koninklijke staatsopdracht plaatsvonden. Een
militaire invasie in, of de verovering van, Poent heeft nooit plaatsgevonden.
Vanaf de regeerperiode van Thoetmosis IV sloot men het liefst vrede door middel
van een huwelijk van de koning met een van de prinsessen van het land waarmee
de vrede gesloten was. Zo kwamen ten tijde van de 18de dynastie prinsessen uit
Mitanni als koninklijke gemalinnen naar Egypte, net als later, tijdens Ramses
II, de dochters van de Hetietenkoning. De vredelievende betrekkingen tussen de
staten werden aldus in de persoon van de koning nogmaals gesymboliseerd door
zijn huwelijk.
Het leger
De militaire
organisatie
In de periode
voorafgaand aan het Nieuwe Rijk had Egypte geen vast leger. Het leger bestond
in die dagen uit mensen die aangewezen werden om te dienen op het moment dat er
behoefte was aan een leger. De aanvoerders van deze legers bestonden uit
personen die in het civiele leven ook de meerdere van de aangewezen personen
waren. De bewapening van dit leger bestond uit knotsen, strijdbijlen en dolken.
Als lange afstandswapens hadden de Egyptenaren lansen, slingers en pijl en
boog. Als schilden gebruikten de mannen een houten raamwerk dat met
dierenhuiden bespannen was.
Toen de tijd
van het Oude Rijk aangebroken was, veranderde heel wat. Er werden voor het eerst
huursoldaten ingehuurd. Kortom het eerste beroepsleger was gevormd. Als soldij
kregen de soldaten een stuk land om te kunnen voorzien in hun onderhoud.
Daarnaast vielen beloningen in de vorm van goud te verdienen. De strijdeenheden
waren in kleine groepen onderverdeeld. Tien man, een groep, stonden onder
leiding van een groepsleider. Een eenheid van honderd man was verdeeld in twee
helften van elk vijf groepen. De gehele eenheid stond dan onder leiding van de
groepsleider van de eerste groep in de eerste helft terwijl de groepsleider van
de eerste groep van de tweede helft de zeggenschap over de gehele tweede helft
had. Dit was tevens de organisatiestructuur zoals ze die in het civiele leven
kenden.
Echt grote
veranderingen dienden zich pas aan ten tijden van het begin van het Nieuwe
Rijk. De Hyksos hadden zojuist jaren lang de zeggenschap in Egypte gehad omdat
zij in die tijd over een machtig wapen beschikte. Dit Aziatisch volk had het
Egyptische leger vrijwel vernietigd omdat zij de beschikking hadden over paard
en wagen. Toen de indringers weer verdreven waren werd het belang van paard en
wagen bewezen en het leger kon niet meer zonder. De Egyptenaren hadden een
voorkeur voor lichte strijdwagens. Zo'n strijdwagen werd door twee paarden
getrokken en had twee personen aan boord, de wagenmenner en een boogschutter.
De boogschutter had het beste materiaal als het ging om de pijlen en de boog
waarmee hij moest schieten. Steeds meer werden er huursoldaten gebruikt.
Nubiërs werden vooral ingezet als boogschutter, terwijl Libiërs lichtbewapende
infanteristen waren. Alle groepen hadden hun eigen officier. Deze groepen
stonden op hun beurt weer onder leiding van een overste terwijl de overste weer
onder bevel van een generaal stond. Opperbevelhebber van het leger was de farao
zelf en droeg als opperbevelhebber de blauwe kroon. Afzonderlijke
legeronderdelen werden vaak door zonen van de farao of door viziers aangevoerd.
De bewapening van de Egyptenaren werd ook steeds beter. De schilden waren
inmiddels uitgevoerd in hout met een bronzen schildenknop, de lansen kregen
bronzen punten en de soldaten zelf werden beschermd door helmen en lederen
pantserkleding, die met bronzen schubben uitgevoerd werden. Het wapen dat de
soldaten hadden was een sikkelzwaard, ook een erfenis uit Azië.
Foerageren
Echte
oorlogsschepen kenden men niet in Egypte. Men zette daarvoor altijd gewone
Nijlschepen in die als bescherming voor de vloot moesten dienen. Men was echter
wel ver met het bouwen van vestingen voor het beschermen van de goederen. Al in
de vroege tijd is de vesting Elefantine bekend. In die tijd was het de meest
zuidelijke gelegen stad en daarom een strategisch bolwerk. De aanvallen vanuit
het zuiden moesten hier gepareerd worden. Om aanvallen in het oosten af te
slaan hadden de Egyptenaren een muur opgetrokken. Later werd dit vervangen door
een dicht netwerk van vestingen. Een belangrijke uitvalsbasis voor de meeste
Egyptische krijgstochten naar Syrië was Sile, helemaal in het oosten van de
Delta. Sile was een belangrijk steunpunt maar ook een handelscentrum en een
tolstation. De vestingscommandant van Sile stond altijd hoog op de
hiërarchische ladder.
Omdat het
foerageren nogal moeizaam verliep door de woestijn, maakten de Egyptenaren het
liefst gebruik van het water. Men kende namelijk in die tijd geen
transportwagens en daarom waren ze aangewezen op de pakezels en muildieren.
Omdat ook de eigen proviand meegenomen moest worden betekent dit dat hoe langer
de route was, des te kleiner de vracht kon zijn. Als het even kon probeerde men
het land zelf te profiteren. Daarom was een land als Syrië zo enorm belangrijk
voor Egypte. Men wist het land goed in controle te houden. Door logistieke
problemen en geografische omstandigheden waren er nauwelijks alternatieven voor
de bestaande routes. Andere landen wisten hier vaak handig op in te spelen.
De slag bij Kadesj
Over de
strategie en tactiek van het Egyptische leger is weinig bekend. Het meest
waarschijnlijke is dat de plannen per situatie bekeken werden en daarop
aangepast. Van intensieve plannen kon nauwelijks sprake zijn omdat het leger
geen stafofficieren kende.
Er is maar een
slag waarvan we de tactiek terug hebben kunnen vinden omdat we naast de
Egyptische verslagen ook de verslagen van, in dit geval, de Hettieten hadden.

In het jaar 5
van zijn regeerperiode (1274 v.Chr.) besloot Ramses II om tegen de
Hettietenkoning Moewatallis ten strijde te trekken. Ramses II verdeelde zijn
hoofdleger in vier delen en deze moesten allemaal door de woestijn trekken
richting de Dode Zee. Langs de bovenloop van de Orontes moesten ze vervolgens
de stad en de vesting Kadesj aanvallen waar men dacht dat het Hettische leger
zich ophield. Een tweede, aanzienlijk kleiner leger, moest via schepen ten
noorden landen van Byblos en landinwaarts oprukken naar Kadesj. Dit tweede
leger had vooral als doel de beveiliging van de goederen ten bate van het
hoofdleger. Ook de farao en zijn lijfwachten maakten deel uit van dit kleiner
leger. De strategie was duidelijk; Ramses II wilde via een tangbeweging de
Hettieten onder de voet lopen.
Ramses II in zijn strijdwagen
Ramses II
maakte echter een aantal onbegrijpelijke fouten. Ten eerste liet hij de vier
corpsen van zijn hoofdleger om meer dan 10 kilometer van elkaar door de
woestijn marcheren. In een woestijn zonder wegen betekende dit dat dat bijna
een dagmars betekende wilde men een ander corps kunnen ondersteunen. Later bij
het oversteken van de Orontes liet hij de legers niet tegelijkertijd oversteken
en liet hij de verkenning achterwege omdat hij wel heel zeker van de
overwinning was. Dit kwam hem later heel duur te staan. Vlak voor Kadesj
ontstond een chaotische situatie. Ramses II was zelf de rivier overgestoken met
het 1ste corps. Ook het tweede corps had de rivier inmiddels overgestoken maar
de laatste twee lagen nog op de rechteroever te wachten. Daarnaast hadden de
Egyptenaren twee bedoeïen gevangen genomen die berichtten dat de Hettieten zich
laf hadden teruggetrokken. Ramses II wilde dit maar al te graag geloven. Hij
had daardoor echter niet in de gaten dat het hier om spionnen ging. Alsof er
niets aan de hand was trok Ramses II vervolgens op. Daar trof hij tot zijn
schrik 1000 zware Hettitische strijdwagens met elk 4 tot 5 personen. Deze
strijdwagens doorkliefden de linies van de Egyptenaren en rukte op. Het tweede
corps werd op een doorwaadbare plaats in de rivier in de flank aangevallen en
compleet vernietigd. Het gevolg was dat de afstand tussen het eerste corps de
twee overige corpsen meer dan 20 kilometer was. Daarnaast lag ook de Orontes
tussen deze legers in. Ramses vluchtte met zijn corps naar een heuveltop in de
omgeving en richtte daar een kampement op. De Hettieten vielen dit echter snel
aan en veroverde bijna het complete kamp maar puur door de dapperheid van de
farao en zijn garde wisten ze een totaal fiasco te verkomen. De twee
achterliggende corpsen werden snel op de hoogte gebracht van het geboekte
resultaat en hielden halt om resten van de twee verslagen corpsen op te vangen.
Vervolgens gebeurde
er een klein wonder. Op het moment dat de Hettieten het kampement aan het
plunderen waren kwam het kleine zeeleger aan en deze vielen op hun beurt de
Hettieten aan. Zij trokken vervolgens terug in de richting van Kadesj en Ramses
bereikte in ijltempo zijn achterhoede. Hij trok zijn legers terug en liet in
Egypte grootse feesten bouwen vanwege de overwinning die hij behaald had op de
Hettieten. Bijna alle belangrijke tempelcomplexen die Ramses II liet bouwen
werden ook voorzien van zijn versie van het verhaal. Zijn falen als
legeraanvoerder was totaal te wijten aan het onderschatten van de tegenstander
en zijn falen op tactisch gebied. Desondanks heeft hij door een toevallige
aankomst van zijn kleine leger dat over zee kwam zijn eigen hachje kunnen redden.
