Effusion
| 28 September 2007 | 14:24:13
Kun je maar niet stoppen met lezen over magie?
Lees dan nu het verhaal over Maichel, Maerle, Marie en Martin.
 
In dit betoverende verhaal worden de levens van 4 tieners beschreven die met elkaar verbonden zijn.
 
NU OP:
 
reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 602

Wil je mijn visitekaartje?
Egypte Algemeen
| 02 December 2006 | 14:05:43

Egypte.

 

 Het dagelijkse leven

De Egyptenaren bereidden zich zorgvuldig voor op een leven na de dood. Dat blijkt wel uit de tekeningen van graven van werklui en ambtenaren. Op deze tekeningen staan zorgvuldig alle voorwerpen en middelen vermeld die nodig waren om succesvol aan een nieuw leven te beginnen. Om niets aan het toeval over te laten, lieten ze dat ook in de tekeningen van het graf vereeuwigen om maar niet tekort te hoeven komen.

Voeding

De basis van alle maaltijden bestond uit brood en bier. Hiermee betaalde men ook bijvoorbeeld arbeiders in de steengroeve of van grote bouwprojecten. Van twee soorten graan is aangetoond dat deze verbouwd werden: gerst en spelt. Om de verschillende deegsoorten verschillend te laten smaken voegde men vruchten toe en gebruikte men volkoren- of tarwebloem. Een belangrijk onderdeel van de voeding, vooral van de onderste lagen, waren peulvruchten, zoals linzen, tuinbonen, erwten, kikkererwten en hoornklaver. De menukaart van de rijkere mensen vertoonde meer afwisseling. Hierop vinden we een veelheid van groenten zoals waterkers, postelein, latuw, uien, knoflook en pompoenen maar ook wortelstok, zaadjes van de lotus en delen van de papyrusplant. Geliefde fruitsoorten waren wijndruiven, vijgen en sycomoorvijgen, dadels en noten van de doempalm en sinds het Nieuwe Rijk ook granaatappels. Dit was een geïmporteerde fruitsoort uit Voor-Azië maar als snel ging men over tot het zelf kweken hiervan.

Delicatessen

Naast het bier en brood genoot de onderste laag van de bevolking ook van peulvruchten en groenten alsmede goedkope soorten vis en pluimvee en geiten-, schapen- en varkensvlees. Op verschillende ostraca (steen- en aardewerkscherven) staan vermeldingen dat de elite wat meer levensmiddelen tot hun beschikking hadden.
Bij gewone of de wat kleine huizen was het niet mogelijk om vee te houden. Dat was eigenlijk een maar mogelijk voor de mensen met een grotere behuizing zoals hofstedes en villa’s van hoge ambtenaren. In de stallen of bijgebouwen hield men het vee en daar kon men de dieren ook slachten en eventueel verder verwerken. Meestel verwerkte men het net geslachte dier onmiddellijk. Het werd of gekookt in grote pannen of mijn grilde het op een groot open vuur. Wilde men het vlees conserveren voor later gebruik dan werd het gepekeld of gedroogd.
Behalve op bijzondere feesten beperkte de consumptie van wijn zich tot de huishoudens van de hoge ambtenaren en het koninklijk paleis. Wijn werd destijds voor een deel geïmporteerd uit voor-Azië, vooral uit Syrië, omdat er in Egypte maar op kleine schaal druiven werden geteeld. Wijnranken vergden bijzonder onderhoud. Men plantte ze in speciale grond, die verrijkt werd met slib uit de Nijl. De beste wijngaarden lagen in de Nijldelta en in de oase. Vaak waren ze staatseigendom.

Verzorging

De meerderheid van de Egyptische bevolking baadde in de Nijl of kanalen en vijvers. Alleen de elite kon zin in huis een bad of douche veroorloven. In de kamer waar het bad was bevond zich meestal ook het toilet.
Als zeep gebruikte men natron of speciale waspasta’s die tegelijkertijd een huidverbeterende werking hadden. Ze bestonden uit dierlijke of plantaardige vetten, vermengd met kalksteen of krijt. Voor het kwijtraken van een onaangename lichaamsgeur gebruikte de Egyptenaren vooral aromatische stoffen zoals wierook, aluin en mirre. Deze werd vervolgens gewoon op de huid gewreven. Voor een aangename adem waren er een soort pillen. Deze zogenaamde kyphi-pastilles bestonden uit de gemalen zaadjes van de hoornklaver vermengd met wierrook, mirre, jeneverbes, het gomhars mastiek, rozijnen en honing.

Kleding

De Egyptenaren droegen het liefst linnen stoffen, hoewel ze ook wol gebruikten en grove weefstel van bast. Zeer geliefd waren zuiver witte, ragfijne linnen weefsels die men tot fijne plissé vouwde. Er zijn verhalen bekend dat deze stoffen ook nog eens gebleekt werden voor een extra wit resultaat. Na het wassen legde men de kleding vervolgens in de zon. Naast het bleken kenden de Egyptenaren ook het verven van kleding.
Standbeelden van de koningen en burgers geven een goed beeld van de veranderende mode. In het Oude Rijk en het Middenrijk droegen vrouwen eenvoudige en nauwsluitende jurken, de mannen knie- tot kuitsluitende voorschoten. Sinds het Nieuwe Rijk gaf men echter de voorkeur aan wijd zittende tunica’s. Vrouwen droegen grote wikkeljurken van een grote lap rechthoekig stof. Bij officiële gelegenheden droegen mannen en vrouwen een pruik in verschillende lengtes en kapsels.
In alle periodes was het voornaamste schoeisel de sandaal. Sandalen werden vervaardigd uit plantaardige grondstoffen zoals palmbladeren, grassoorten, bies of papyrus. Ze werden waarschijnlijk niet gemaakt in werkplaatsen maar door de vrouwen thuis. Er bestond ook een duurdere variant, deze werden van leer vervaardigd en waren duurzamer dan de goedkopere variant.

Familie

Een gezin bestond zoals gewoon uit de ouders en de kinderen. Banden met overige familieleden waren oppervlakkig. Dat blijkt ook wel dat de Egyptenaren geen woorden hadden voor oom, tante, neef, nicht enzovoort. Desondanks beeldde men soms wel verre verwanten af in grafstèles naast de directe familie. Naast de familie woonden er in een huis van de beter gesitueerden ook de personeelsleden die een groot gedeelte van de werkzaamheden in huis verrichtten.
Het huwelijk gold als de algemeen geldende leefvorm. Had de man een passende leeftijd bereikt om een familie te onderhouden, dan stichtte hij een gezin. Normaal gesproken trok de vrouw dan bij de man in. Slecht in enkele gevallen trok de man bij de vrouw in. Huwelijkscontracten kwamen er pas aan te pas in de 22ste dynastie. Ze waarborgden de financiële zekerheid van de vrouw bij scheiding of overlijden van de man. Voor het familie-inkomen was in eerste instantie de man verantwoordelijk. De vrouw was op haar beurt verantwoordelijk de kinderen te onderhouden in overeenstemming met zijn levenstandaard. Huwelijken waren voor de gewone mensen over het algemeen monogaam maar als een huwelijk kinderloos leek te gaan worden nam met gewoon een andere vrouw, bijvoorbeeld een slavin, erbij. De kinderen uit deze relatie hadden dezelfde juridische status als hun moeder.
De vrouw was in juridisch opzicht gelijkwaardig aan de man. Zij kon contracten sluiten, als aanklager of getuige voor de rechtbank optreden, de voogdij over een kind op zich nemen en haar bezit vererven. Het bezit van haar man ging echter over op haar kinderen, omdat het erfrecht zich beperkte tot bloedverwanten. Het doel van elk huwelijk was voor nakomelingen te zorgen. Deze moesten voorzien in de oude dag van hun ouders. Bovendien waren ze verwantwoordelijk voor het voortzetten van de dodencultus bij het ouderlijk graf. Hoewel het aantal kinderen per gezin heel hoog was, het sterftecijfer onder de jonge kinderen was dat ook.
De opvoeding van de kinderen was in de eerste jaren voornamelijk in handen van de moeder. Bij de zoon nam de vader vanaf een bepaalde leeftijd deze plicht over. Hij leidde hem op tot zijn assistent en opvolger. Moesten kinderen een andere beroep gaan uitoefenen dan hun vader, dan stuurde men ze naar scholen, die vaak onderdeel waren van de tempels. Hier leerde men vooral rekenen, lezen en schrijven. Een ander belangrijk punt in de opvoeding was de vorming van de persoonlijkheid naar een bepaald ideaal. Dit ideaal was nauwkeurig geformuleerd in de zogenaamde wijsheidsleren.

De kalender

De oude Egyptenaren waren zeer geïnteresseerd in de astronomie; de sterrenkunde. Al vele eeuwen geleden wisten zij onderscheid te maken tussen sterren en planeten. Zij kenden de planeten Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus en zelfs de bewegingen die deze hemellichamen maakten. De wetenschap van deze planeten resulteerde in de kalenders die de Egyptenaren maakten.
Deze eerste kalender was gebaseerd op de sterren. De belangrijkste ster was Sirius. De Egyptenaren noemden deze ster ook wel Sopdet en in het Grieks was het Sothis. Ze hadden ontdekt dat Sirius zich in een constante baan om de aarde begaf. Het gevolg van deze constante baan was dat de Egyptenaren de conclusie trokken dat als Sirius op een bepaalde plek stond de Nijl weer begon te overstromen. Op basis van het feit dat Sirius op deze bepaalde plek stond declameerde men dat dit de eerste dag van het nieuwe jaar (in het Egyptisch wepetrenpet) was.
De tweede kalender van de Egyptenaren was gebaseerd op de maan als belangrijkste hemellichaam. De baan van maan neemt echter 29,5 dag in beslag. Dit was een heel onhandige waarde en het gevolg was dat de kalender regelmatig aanpassingen behoefde om maar niet te veel uit te lopen. Het was waarschijnlijk Imhotep die daarin ten tijden van het Oude Rijk voor verandering zorgde. Hij baseerde de kalender op een jaar; hij wist dat een jaar 365 dagen in beslag nam. Ook dit zorgde voor problemen omdat een jaar ongeveer 365,25 dagen in beslag neemt. Het verschil was klein maar ook in het geval van deze kalender liep men langzaam maar zeker uit in vergelijking met Sirius.
De Egyptenaren deelden net als wij het jaar op in weken. Alleen bij de Egyptenaren kenden één week tien dagen. Drie weken vormden vervolgens één maand (30 dagen). Op zijn beurt vormden vier maanden weer één seizoen (120 dagen). En aangezien het jaar uit drie seizoenen (360 dagen) bestond, hadden de Egyptenaren het problemen dat ze vijf dagen te kort kwamen. Dit losten ze op door het toevoegen van vijf heilige dagen. Deze heilige dagen representeerde de verjaardagen van Osiris, Isis, Seth, Nephtys en Horus. Al deze dagen werden op het einde van het jaar toegevoegd en publieke gevierd als zijnde een feestdag. Dit gold overigens ook voor de tiende dag van de week, dit was een soort weekend.
 

De geneeskunst

De geneeskunde was een tak van onderwijs voor gevorderde schrijvers. Deze personen kwamen uit de hoogste sociale kringen en genoten van een uitstekende een reputatie in de gehele wereld. De kennis in van de geneeskunst werd gelijkgesteld aan die van de kennis van de rituelen. Hoewel de naam dokter bij ons misschien iets anders doet vermoeden waren de geneesheren niet vies van het uitspreken van een bezwering.
In de loop der jaren zijn er diverse papyrussen gevonden die betrekking hebben op de geneeskunst. Een bekende daarvan dateert uit het einde van het Middenrijk en wordt ook wel de Edwin Smith Chirurgische Papyrus genoemd. Deze papyrus diende als een naslagwerk en als leerboek. In deze papyrus worden een aantal gevallen beschreven met bijbehorende symptomen en het lichamelijke onderzoek wat vereist is. Dan wordt een diagnose gesteld en de verwachting van herstel (geneeslijk, behandelbaar en onbehandelbaar) indien mogelijk.
Twee andere papyri (de Ebers- en de Berlijnpapyrus) beschrijven de verbindingen, de kanalen, van het lichaam. Hiermee worden de aders, slagaders, spieren en pezen bedoeld. Het hart lag hiervan in het centrum. Vanuit dit centrum werd lucht, bloed en andere vloeistoffen (waaronder ziekten) vervoerd naar andere delen van het lichaam. Uit deze papyrussen blijkt dat de Egyptenaren goede anatomische kennis hadden van het lichaam. Het is niet duidelijk of ze deze kennis opgedaan hadden uit praktische ervaringen of het mummificeren van lichamen.
Zoals eerder gezegd was magie ook een middel om ziektes te bestrijden. Betoveringen om slangen te bezweren en slangenbeten te genezen, verlichten of voorkomen waren gangbaar. Dit blijkt uit een papyrus waarop veel slangen vermeld staan met bijbehorende nauwkeurig omschreven behandelvoorschriften. nclusief de magische spreuk!
Verloskunde en gynaecologie waren een specialisme in het Oude Egypte. Voor de bevruchting, zwangerschap, bevalling en bescherming van de pasgeborene was hulp van de goden belangrijker dan wat dan ook. Dat is ook de reden dat er in papyrussen wel wat kleine praktische tips staan maar vooral magische spreuken.
 

Economie en handel

Het is eigenlijk moeilijk een goed beeld te krijgen over de vroege periodes omtrent de handel en de economie. Er is simpelweg niet veel bewaard gebleven of niet gedocumenteerd. Pas vanaf het Nieuwe Rijk krijgen we er pas een goed beeld van. Dit is te danken aan Deir el-Medina. Deze stad was speciaal voor de arbeiders gebouwd in Thebe-West. In deze stad werkten ongeveer 120 families aan graven en tempels die speciaal voor de heersers gebouwd moesten worden in het Dal der Koningen. Deze arbeiders leefden eigenlijk alleen op de bouwplaats of in het dorp zelf dat afgescheiden lag van het Nijldal. De handel die ze dreven werd vaak vastgelegd in het hiëratisch schrift op kalksteen of aardewerkscherven. Op deze zogenaamde ostraca werden de goederenprijzen vermeld, of bijvoorbeeld de verhuur van de ezels of zelfs de verstrekking van een krediet. Als de tekst achterhaald was, bijvoorbeeld de huur van de ezels was afgelopen, wierp men deze scherven en stenen in de put. In het begin van de 20ste eeuw werden er verschillende putten gevonden door archeologen die tezamen een goed beeld gaven van de handel die gedreven werd.
De economie was strak geleid in het oude Egypte. Men kende het principe van een vrije beroepskeuze niet; de zoon volgde het beroep dat zijn vader deed en zo kon de vader direct als leermeester fungeren. De kinderen van de ambtenaren werden naar de weinige scholen gestuurd om hier te leren lezen en schrijven. Hierdoor konden zij later hun vader opvolgen. Ook het vrije ondernemersschap kende men niet in het oude Egypte.
Het loon was door de jaren heen altijd constant. Geld kende men niet. De Grieken maakten sinds de 8ste/7de eeuw voor Christus al gebruik van munten en introduceerde dit principe pas vier eeuwen voor Christus in het oude Egypte. Om een loon uit te betalen gaf men de medewerker in een zak van vastgestelde grootte graan (gerst of spelt). Aan de hand van rekenwaardes kon men dit omzetten in zilver en koper. Een voorbeeld: de twee voormannen en de schrijver van Deir el-Medina kregen als loon 2 zakken gerst en 5½ zak spelt. Eenvoudige werklui ontvingen een ½ zak gerst en 4 zakken spelt. De ongeschoolde medewerker ontving nog veel minder. De inhoud van een zak graan bedroeg 77 liter. De rekeneenheid van koper was de zogenaamde ‘deben’, één deben was 91 gram. Het duurdere zilver werd in ‘sjenati’ (7,6 gram) of ‘kite’ (9,1 gram) afgewogen. De waardeverhoudingen van het graan ten opzichte van het edelmetaal was onderhevig aan aanzienlijke fluctuaties. Gemiddeld kreeg een arbeider graan ter waarde van 7 deben koper terwijl een voorman voor gemiddeld 9,5 deben ontving. Het loon was vastgesteld en daaraan ook de arbeidstijd die ervoor gewerkt moest worden. Het gevolg was dat als een arbeider ziek werd, deze tijd ingehaald moest worden. Het bijhouden van de arbeidstijd gebeurde op lijsten die regelmatig vergeleken werden met de planning.
Prijzen die in Egypte betaald werden voor goederen werden dus vastgelegd op de zogenaamde ostracon. Hieruit kwam voort dat bijvoorbeeld levensmiddelen 1200 jaar voor Christus het goedkoopst waren. Voor een kip moest ongeveer ¼ deben betaald worden. Een halve liter vet moest het dubbele van de prijs opleveren. Manden, voorschotels en eenvoudige amuletten waren te koop voor 1 deben. Een klerenkast kostte een oude Egyptenaar hooguit 5 deben, een voetenbankje 2, een stoel kon wel 8 deben opleveren en bedden waren er tot 20 debben. Vee was nog duurder in die tijd. Een varken leverde 70 deben op, een rund kostte je 140 debben terwijl een ezel maar 30 deben kostte. Een hemd werd verkocht voor maximaal 5 deben maar de kostbare gewaden liepen zeker tot in de 60. Het is makkelijk een conclusie te trekken; sommige goederen waren gewoon onbetaalbaar of moesten op afbetaling gekocht worden.
Voor de begrafenis werden er onvoorstelbare hoge bedragen betaald. Een graf voor een arbeider was al snel 25 deben terwijl de voormannen voor hun versierde grafkisten zeker 200 deben neer moesten tellen. Een extra als een mummiemasker bracht zeker 40 deben op en een sarcofaag was nog aanzienlijk duurder. Maar een graf bestond natuurlijk uit meer. Kleding, meubelen, levensmiddelen, kruiken, beelden en andere voorwerpen maakten deel uit van de begrafenis. Je kunt er dus vanuit gaan dat een begrafenis van een simpele arbeider al snel 200 deben moest kosten. Omgerekend is dat toch zeker 30 maanden loon. Een schrijver of een eenvoudige ambtenaar stelde hogere eisen aan zijn begrafenis en was al snel 1000 deben kwijt. Een farao was het toppunt. Als we ter vergelijking alleen de ongeveer 100 kilo zware gouden grafkist van Toetanchamon nemen moet je ongeveer denken aan 35.000 maandlonen van een arbeider. Om dan nog maar niet te spreken over de overige voorwerpen die in het graf van deze jonge koning gevonden zijn. De waarde hiervan gaat eigenlijk nu nog ons voorstellingsvermogen te boven.
De economie functioneerde ondanks de strakke organisatie lang niet altijd goed. De eerste meldingen van stakingen komen dan ook uit Egypte. Omstreeks 1150 voor Christus verenigden de arbeiders uit Deir el-Medina zich en bezetten de grafkelders waarin zij aan het werken waren omdat er een betalingsachterstand was door problemen met de voedselvoorziening. De hoogste ambtenaar, de vizier, beloofde beterschap en men ging weer aan het werk. Omdat de lonen nog steeds niet uitbetaald werden ging men echter weer in staking. Pas toen de burgemeester zelf met de salarissen in de vorm van graan en koper aan kwam, ging men weer aan het werk. De eerste staking wereldwijd was een groot succes, zeker ook omdat de overheid af zag van sancties tegen dezelfde arbeiders.
Het is waarschijnlijk dat de ontwikkeling van de Egyptische economie parallel liep aan de ontwikkeling van de staat. De voorraadeconomie en de beginnende arbeidsverdeling staat ook in Egypte aan het begin van de geschiedenis. In het Oude Rijk werden talrijke nieuwe beroepen uitgevonden. Het productieproces volgens de arbeidsverdeling maakte zelfs de bouw van de piramiden en de reusachtige tempelcomplexen mogelijk. De immense betekenis van de landbouw kan men aflezen aan het feit dat in vrijwel geen enkel graf geen scène over de akkerbouw ontbreekt. De basis van de economie was ongetwijfeld de landbouw. Het is daarom waarschijnlijk ook niet verwonderlijk dat de farao vrijwel alle grond in zijn bezit had. En daarbij hoorden alle mensen die op die grond woonden. De farao gaf aan verdienstelijke ambtenaren grond ter exploitatie. Kwam hij op zijn besluit terug dan onteigende hij die persoon weer en verstootte hem ook uit de stand van grondbezitter. In latere tijden veranderde dit echter en kwamen er steeds meer stukken grond in het bezit van families. De farao hield echter wel zoveel over dat hij in ieder geval gegarandeerd was van inkomsten. Ondanks de strakke planning van de economie was deze toch flexibel genoeg om van een lang leven beschoren te zijn. Maar misschien is dat ook wel te danken aan het feit dat iedereen in deze economie bij wet verzekerd was van een baan en daardoor zelfs tot een bescheiden welvaart kon reiken. Of anderzijds misschien het feit dat iedereen onder streng toezicht stond van ongewenst gedrag zwaar en hard werd gestraft.
 

Wonen in het oude Egypte

Keuken

In de meeste gevallen lag de keuken in het achterste gedeelte van het huis, bij grote villa’s soms in de bijgebouwen. Omdat men vooral op open vuur kookte was de keuken niet overdekt. In een hoek bevonden zich een maalsteen voor het malen van graan en meel, een kleine oven voor het bakken van brood en een gemetselde vuurplaats voor het koken of grillen. Grote en kleine aardewerken kruiken dienden voor het bewaren van de voorraden. Men bewaarde hierin niet alleen dranken maar ook graan, meel, vet of olie en geconserveerd vlees. Voor beperkt houdbare levensmiddelen was in het huis een kleine lage voorraadkelder, die men via enkele traptreden vanuit de keuken kon bereiken.

De inrichting

Er zijn echter nauwelijks restanten van meubels gevonden in huizen. De meeste kennis weten we te halen aan de hand van grafvondsten. Daaruit zou blijken dat de muren bekleed waren met wandtapijten die kleurrijk geschilderd waren. Op de vloer lagen matten van gevlochten plantenvezels. Deze fungeerden soms ook als matras. In het Nieuwe Rijk schijnen stoelen te hebben behoord tot de gebruikelijke meubelen van het ambtenarendom. Er waren allerlei vormen van stoelen; van het eenvoudige lage krukje en de klapstoel tot de stoel met rug- en armleuningen. Vaak werden er kussens op de zittingen gelegd om het comfort te verhogen. De prijs van een eenvoudige stoel lag rond de 4 tot 8 deben koper. Tafels en kasten complementeren de inrichting. Als materiaal gebruikte men vaak hout maar ook wel stevig vlechtwerk. Echte grote tafels kent men niet, afgaande op tekeningen die gevonden zijn in verschillende graven. Bij grote maaltijden had iedereen een eigen tafeltje of een plaat die steunde op een houten onderstel. Om de kleding en andere persoonlijkheden te beschermen tegen kruipende dieren bewaarde men dit in nissen in het huis of bij de beter gesitueerden in grote houten kisten. Zelf sliepen de mensen ook op een verhoging om zichzelf ook van kleine dieren te vrijwaren.

Verzorging

De meerderheid van de Egyptische bevolking baadde in de Nijl of kanalen en vijvers. Alleen de elite kon zich in huis een bad of douche veroorloven. In de kamer waar het bad was bevond zich meestal ook het toilet.

Koningsschap

Het koning zijn was een goddelijke ambt. Zijn rol als plaatsvervanger van de koningsgod Horus op aarde zegt eigenlijk al genoeg. Vanaf de 4de dynastie wordt de goddelijke afkomst door de koningstitel 'Zoon van de Zonnegod' uitgedrukt. Sinds de regeerperiode van Hatsjepsoet wordt deze goddelijke afkomst voorgesteld in een beeldcyclus; de zogenaamde geboortelegende, waarbij de goddelijke vader in de periode van het Nieuwe Rijk de rijksgod Amon-Re is.
De Egyptische staat was een absolute monarchie. Volgens de wet ging alles wat er gebeurde in het land terug op de heerser. Hij had op grond van zijn ambt als enige wetgevende macht. Wetten en decreten werden door hem uitgevaardigd. Hij benoemde ambtenaren en priesters, die allen in zijn naam en als zijn plaatsvervanger taken in het land waarnamen. In de persoon van de koning vormen wetgevende en uitvoerende macht een eenheid.
De Egyptenaren hebben geen eigen begrip voor staat ontwikkeld. Het begrip staat moet omschreven worden met uitdrukkingen die altijd tevens de koning en het koninkrijk betekenen. Ook hieruit blijkt de centrale positie van de koning in het land: de koning is de staat.
De bronnen laten ons de koning zien als degene die alle beslissingen betreffende zijn rijk neemt. Al treedt er in officiële bronnen (teksten uit de Koningsnovelle) ook een staf van raadslieden op, hun overwegingen en voorstellen worden door de koning in laatste instantie genegeerd. Gedaan werd datgene wat de koning zei, en dat was juist! Op deze manier beschrijven deze teksten feitelijk niet de reeële situatie, maar documenteren ze de grootte, wijsheid en superioriteit van de koning. Daarmee onderstreepten ook zij zijn superieure machtspositie.
De koning was ook de bevelhebber van de krijgsmacht. Zijn persoonlijke aanwezigheid bij veldtochten is in vele gevallen bewijsbaar. Daarenboven was hij degene die de beslissing over oorlog en vrede nam en het leger liet oprukken.
De koning was niet alleen heerser over het Egyptische moederland, waarvan de klassieke grenzen in het noorden door de Middellandse Zee en in het zuiden door het cataractengebied bij Aswan gevormd werden, maar hij zwaaide ten tijde van de Egyptische expansiepolitiek ook de scepter over de veroverde gebieden in Nubië en Voor-Azië. Hij onderhield diplomatieke betrekkingen met buitenlandse staten. Deze betrekkingen zijn het best gedocumenteerd en in het in Amarna gevonden kleitablettenarchief met de de correspondentie tussen Egypte en de Voor-Aziatische staten. De koning was ook verantwoordelijk voor de ondernemingen op het gebied van de buitenlandse handel, waarvan de bekendste de expedities naar Poent zijn, die in koninklijke staatsopdracht plaatsvonden. Een militaire invasie in, of de verovering van, Poent heeft nooit plaatsgevonden. Vanaf de regeerperiode van Thoetmosis IV sloot men het liefst vrede door middel van een huwelijk van de koning met een van de prinsessen van het land waarmee de vrede gesloten was. Zo kwamen ten tijde van de 18de dynastie prinsessen uit Mitanni als koninklijke gemalinnen naar Egypte, net als later, tijdens Ramses II, de dochters van de Hetietenkoning. De vredelievende betrekkingen tussen de staten werden aldus in de persoon van de koning nogmaals gesymboliseerd door zijn huwelijk.

Het leger

De militaire organisatie

In de periode voorafgaand aan het Nieuwe Rijk had Egypte geen vast leger. Het leger bestond in die dagen uit mensen die aangewezen werden om te dienen op het moment dat er behoefte was aan een leger. De aanvoerders van deze legers bestonden uit personen die in het civiele leven ook de meerdere van de aangewezen personen waren. De bewapening van dit leger bestond uit knotsen, strijdbijlen en dolken. Als lange afstandswapens hadden de Egyptenaren lansen, slingers en pijl en boog. Als schilden gebruikten de mannen een houten raamwerk dat met dierenhuiden bespannen was.
Toen de tijd van het Oude Rijk aangebroken was, veranderde heel wat. Er werden voor het eerst huursoldaten ingehuurd. Kortom het eerste beroepsleger was gevormd. Als soldij kregen de soldaten een stuk land om te kunnen voorzien in hun onderhoud. Daarnaast vielen beloningen in de vorm van goud te verdienen. De strijdeenheden waren in kleine groepen onderverdeeld. Tien man, een groep, stonden onder leiding van een groepsleider. Een eenheid van honderd man was verdeeld in twee helften van elk vijf groepen. De gehele eenheid stond dan onder leiding van de groepsleider van de eerste groep in de eerste helft terwijl de groepsleider van de eerste groep van de tweede helft de zeggenschap over de gehele tweede helft had. Dit was tevens de organisatiestructuur zoals ze die in het civiele leven kenden.
Echt grote veranderingen dienden zich pas aan ten tijden van het begin van het Nieuwe Rijk. De Hyksos hadden zojuist jaren lang de zeggenschap in Egypte gehad omdat zij in die tijd over een machtig wapen beschikte. Dit Aziatisch volk had het Egyptische leger vrijwel vernietigd omdat zij de beschikking hadden over paard en wagen. Toen de indringers weer verdreven waren werd het belang van paard en wagen bewezen en het leger kon niet meer zonder. De Egyptenaren hadden een voorkeur voor lichte strijdwagens. Zo'n strijdwagen werd door twee paarden getrokken en had twee personen aan boord, de wagenmenner en een boogschutter. De boogschutter had het beste materiaal als het ging om de pijlen en de boog waarmee hij moest schieten. Steeds meer werden er huursoldaten gebruikt. Nubiërs werden vooral ingezet als boogschutter, terwijl Libiërs lichtbewapende infanteristen waren. Alle groepen hadden hun eigen officier. Deze groepen stonden op hun beurt weer onder leiding van een overste terwijl de overste weer onder bevel van een generaal stond. Opperbevelhebber van het leger was de farao zelf en droeg als opperbevelhebber de blauwe kroon. Afzonderlijke legeronderdelen werden vaak door zonen van de farao of door viziers aangevoerd. De bewapening van de Egyptenaren werd ook steeds beter. De schilden waren inmiddels uitgevoerd in hout met een bronzen schildenknop, de lansen kregen bronzen punten en de soldaten zelf werden beschermd door helmen en lederen pantserkleding, die met bronzen schubben uitgevoerd werden. Het wapen dat de soldaten hadden was een sikkelzwaard, ook een erfenis uit Azië.

Foerageren

Echte oorlogsschepen kenden men niet in Egypte. Men zette daarvoor altijd gewone Nijlschepen in die als bescherming voor de vloot moesten dienen. Men was echter wel ver met het bouwen van vestingen voor het beschermen van de goederen. Al in de vroege tijd is de vesting Elefantine bekend. In die tijd was het de meest zuidelijke gelegen stad en daarom een strategisch bolwerk. De aanvallen vanuit het zuiden moesten hier gepareerd worden. Om aanvallen in het oosten af te slaan hadden de Egyptenaren een muur opgetrokken. Later werd dit vervangen door een dicht netwerk van vestingen. Een belangrijke uitvalsbasis voor de meeste Egyptische krijgstochten naar Syrië was Sile, helemaal in het oosten van de Delta. Sile was een belangrijk steunpunt maar ook een handelscentrum en een tolstation. De vestingscommandant van Sile stond altijd hoog op de hiërarchische ladder.
Omdat het foerageren nogal moeizaam verliep door de woestijn, maakten de Egyptenaren het liefst gebruik van het water. Men kende namelijk in die tijd geen transportwagens en daarom waren ze aangewezen op de pakezels en muildieren. Omdat ook de eigen proviand meegenomen moest worden betekent dit dat hoe langer de route was, des te kleiner de vracht kon zijn. Als het even kon probeerde men het land zelf te profiteren. Daarom was een land als Syrië zo enorm belangrijk voor Egypte. Men wist het land goed in controle te houden. Door logistieke problemen en geografische omstandigheden waren er nauwelijks alternatieven voor de bestaande routes. Andere landen wisten hier vaak handig op in te spelen.

De slag bij Kadesj

Over de strategie en tactiek van het Egyptische leger is weinig bekend. Het meest waarschijnlijke is dat de plannen per situatie bekeken werden en daarop aangepast. Van intensieve plannen kon nauwelijks sprake zijn omdat het leger geen stafofficieren kende.
Er is maar een slag waarvan we de tactiek terug hebben kunnen vinden omdat we naast de Egyptische verslagen ook de verslagen van, in dit geval, de Hettieten hadden.
In het jaar 5 van zijn regeerperiode (1274 v.Chr.) besloot Ramses II om tegen de Hettietenkoning Moewatallis ten strijde te trekken. Ramses II verdeelde zijn hoofdleger in vier delen en deze moesten allemaal door de woestijn trekken richting de Dode Zee. Langs de bovenloop van de Orontes moesten ze vervolgens de stad en de vesting Kadesj aanvallen waar men dacht dat het Hettische leger zich ophield. Een tweede, aanzienlijk kleiner leger, moest via schepen ten noorden landen van Byblos en landinwaarts oprukken naar Kadesj. Dit tweede leger had vooral als doel de beveiliging van de goederen ten bate van het hoofdleger. Ook de farao en zijn lijfwachten maakten deel uit van dit kleiner leger. De strategie was duidelijk; Ramses II wilde via een tangbeweging de Hettieten onder de voet lopen.

 

Ramses II in zijn strijdwagen

Ramses II maakte echter een aantal onbegrijpelijke fouten. Ten eerste liet hij de vier corpsen van zijn hoofdleger om meer dan 10 kilometer van elkaar door de woestijn marcheren. In een woestijn zonder wegen betekende dit dat dat bijna een dagmars betekende wilde men een ander corps kunnen ondersteunen. Later bij het oversteken van de Orontes liet hij de legers niet tegelijkertijd oversteken en liet hij de verkenning achterwege omdat hij wel heel zeker van de overwinning was. Dit kwam hem later heel duur te staan. Vlak voor Kadesj ontstond een chaotische situatie. Ramses II was zelf de rivier overgestoken met het 1ste corps. Ook het tweede corps had de rivier inmiddels overgestoken maar de laatste twee lagen nog op de rechteroever te wachten. Daarnaast hadden de Egyptenaren twee bedoeïen gevangen genomen die berichtten dat de Hettieten zich laf hadden teruggetrokken. Ramses II wilde dit maar al te graag geloven. Hij had daardoor echter niet in de gaten dat het hier om spionnen ging. Alsof er niets aan de hand was trok Ramses II vervolgens op. Daar trof hij tot zijn schrik 1000 zware Hettitische strijdwagens met elk 4 tot 5 personen. Deze strijdwagens doorkliefden de linies van de Egyptenaren en rukte op. Het tweede corps werd op een doorwaadbare plaats in de rivier in de flank aangevallen en compleet vernietigd. Het gevolg was dat de afstand tussen het eerste corps de twee overige corpsen meer dan 20 kilometer was. Daarnaast lag ook de Orontes tussen deze legers in. Ramses vluchtte met zijn corps naar een heuveltop in de omgeving en richtte daar een kampement op. De Hettieten vielen dit echter snel aan en veroverde bijna het complete kamp maar puur door de dapperheid van de farao en zijn garde wisten ze een totaal fiasco te verkomen. De twee achterliggende corpsen werden snel op de hoogte gebracht van het geboekte resultaat en hielden halt om resten van de twee verslagen corpsen op te vangen.
Vervolgens gebeurde er een klein wonder. Op het moment dat de Hettieten het kampement aan het plunderen waren kwam het kleine zeeleger aan en deze vielen op hun beurt de Hettieten aan. Zij trokken vervolgens terug in de richting van Kadesj en Ramses bereikte in ijltempo zijn achterhoede. Hij trok zijn legers terug en liet in Egypte grootse feesten bouwen vanwege de overwinning die hij behaald had op de Hettieten. Bijna alle belangrijke tempelcomplexen die Ramses II liet bouwen werden ook voorzien van zijn versie van het verhaal. Zijn falen als legeraanvoerder was totaal te wijten aan het onderschatten van de tegenstander en zijn falen op tactisch gebied. Desondanks heeft hij door een toevallige aankomst van zijn kleine leger dat over zee kwam zijn eigen hachje kunnen redden.

 
reacties 33 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 19253

Egypte Algemeen
| 02 December 2006 | 13:58:45

Egypte.

 

 Het dagelijkse leven

De Egyptenaren bereidden zich zorgvuldig voor op een leven na de dood. Dat blijkt wel uit de tekeningen van graven van werklui en ambtenaren. Op deze tekeningen staan zorgvuldig alle voorwerpen en middelen vermeld die nodig waren om succesvol aan een nieuw leven te beginnen. Om niets aan het toeval over te laten, lieten ze dat ook in de tekeningen van het graf vereeuwigen om maar niet tekort te hoeven komen.

Voeding

De basis van alle maaltijden bestond uit brood en bier. Hiermee betaalde men ook bijvoorbeeld arbeiders in de steengroeve of van grote bouwprojecten. Van twee soorten graan is aangetoond dat deze verbouwd werden: gerst en spelt. Om de verschillende deegsoorten verschillend te laten smaken voegde men vruchten toe en gebruikte men volkoren- of tarwebloem. Een belangrijk onderdeel van de voeding, vooral van de onderste lagen, waren peulvruchten, zoals linzen, tuinbonen, erwten, kikkererwten en hoornklaver. De menukaart van de rijkere mensen vertoonde meer afwisseling. Hierop vinden we een veelheid van groenten zoals waterkers, postelein, latuw, uien, knoflook en pompoenen maar ook wortelstok, zaadjes van de lotus en delen van de papyrusplant. Geliefde fruitsoorten waren wijndruiven, vijgen en sycomoorvijgen, dadels en noten van de doempalm en sinds het Nieuwe Rijk ook granaatappels. Dit was een geïmporteerde fruitsoort uit Voor-Azië maar als snel ging men over tot het zelf kweken hiervan.

Delicatessen

Naast het bier en brood genoot de onderste laag van de bevolking ook van peulvruchten en groenten alsmede goedkope soorten vis en pluimvee en geiten-, schapen- en varkensvlees. Op verschillende ostraca (steen- en aardewerkscherven) staan vermeldingen dat de elite wat meer levensmiddelen tot hun beschikking hadden.

Bij gewone of de wat kleine huizen was het niet mogelijk om vee te houden. Dat was eigenlijk een maar mogelijk voor de mensen met een grotere behuizing zoals hofstedes en villa’s van hoge ambtenaren. In de stallen of bijgebouwen hield men het vee en daar kon men de dieren ook slachten en eventueel verder verwerken. Meestel verwerkte men het net geslachte dier onmiddellijk. Het werd of gekookt in grote pannen of mijn grilde het op een groot open vuur. Wilde men het vlees conserveren voor later gebruik dan werd het gepekeld of gedroogd.

Behalve op bijzondere feesten beperkte de consumptie van wijn zich tot de huishoudens van de hoge ambtenaren en het koninklijk paleis. Wijn werd destijds voor een deel geïmporteerd uit voor-Azië, vooral uit Syrië, omdat er in Egypte maar op kleine schaal druiven werden geteeld. Wijnranken vergden bijzonder onderhoud. Men plantte ze in speciale grond, die verrijkt werd met slib uit de Nijl. De beste wijngaarden lagen in de Nijldelta en in de oase. Vaak waren ze staatseigendom.

Verzorging

De meerderheid van de Egyptische bevolking baadde in de Nijl of kanalen en vijvers. Alleen de elite kon zin in huis een bad of douche veroorloven. In de kamer waar het bad was bevond zich meestal ook het toilet.

Als zeep gebruikte men natron of speciale waspasta’s die tegelijkertijd een huidverbeterende werking hadden. Ze bestonden uit dierlijke of plantaardige vetten, vermengd met kalksteen of krijt. Voor het kwijtraken van een onaangename lichaamsgeur gebruikte de Egyptenaren vooral aromatische stoffen zoals wierook, aluin en mirre. Deze werd vervolgens gewoon op de huid gewreven. Voor een aangename adem waren er een soort pillen. Deze zogenaamde kyphi-pastilles bestonden uit de gemalen zaadjes van de hoornklaver vermengd met wierrook, mirre, jeneverbes, het gomhars mastiek, rozijnen en honing.

Kleding

De Egyptenaren droegen het liefst linnen stoffen, hoewel ze ook wol gebruikten en grove weefstel van bast. Zeer geliefd waren zuiver witte, ragfijne linnen weefsels die men tot fijne plissé vouwde. Er zijn verhalen bekend dat deze stoffen ook nog eens gebleekt werden voor een extra wit resultaat. Na het wassen legde men de kleding vervolgens in de zon. Naast het bleken kenden de Egyptenaren ook het verven van kleding.

Standbeelden van de koningen en burgers geven een goed beeld van de veranderende mode. In het Oude Rijk en het Middenrijk droegen vrouwen eenvoudige en nauwsluitende jurken, de mannen knie- tot kuitsluitende voorschoten. Sinds het Nieuwe Rijk gaf men echter de voorkeur aan wijd zittende tunica’s. Vrouwen droegen grote wikkeljurken van een grote lap rechthoekig stof. Bij officiële gelegenheden droegen mannen en vrouwen een pruik in verschillende lengtes en kapsels.

In alle periodes was het voornaamste schoeisel de sandaal. Sandalen werden vervaardigd uit plantaardige grondstoffen zoals palmbladeren, grassoorten, bies of papyrus. Ze werden waarschijnlijk niet gemaakt in werkplaatsen maar door de vrouwen thuis. Er bestond ook een duurdere variant, deze werden van leer vervaardigd en waren duurzamer dan de goedkopere variant.

Familie

Een gezin bestond zoals gewoon uit de ouders en de kinderen. Banden met overige familieleden waren oppervlakkig. Dat blijkt ook wel dat de Egyptenaren geen woorden hadden voor oom, tante, neef, nicht enzovoort. Desondanks beeldde men soms wel verre verwanten af in grafstèles naast de directe familie. Naast de familie woonden er in een huis van de beter gesitueerden ook de personeelsleden die een groot gedeelte van de werkzaamheden in huis verrichtten.

Het huwelijk gold als de algemeen geldende leefvorm. Had de man een passende leeftijd bereikt om een familie te onderhouden, dan stichtte hij een gezin. Normaal gesproken trok de vrouw dan bij de man in. Slecht in enkele gevallen trok de man bij de vrouw in. Huwelijkscontracten kwamen er pas aan te pas in de 22ste dynastie. Ze waarborgden de financiële zekerheid van de vrouw bij scheiding of overlijden van de man. Voor het familie-inkomen was in eerste instantie de man verantwoordelijk. De vrouw was op haar beurt verantwoordelijk de kinderen te onderhouden in overeenstemming met zijn levenstandaard. Huwelijken waren voor de gewone mensen over het algemeen monogaam maar als een huwelijk kinderloos leek te gaan worden nam met gewoon een andere vrouw, bijvoorbeeld een slavin, erbij. De kinderen uit deze relatie hadden dezelfde juridische status als hun moeder.

De vrouw was in juridisch opzicht gelijkwaardig aan de man. Zij kon contracten sluiten, als aanklager of getuige voor de rechtbank optreden, de voogdij over een kind op zich nemen en haar bezit vererven. Het bezit van haar man ging echter over op haar kinderen, omdat het erfrecht zich beperkte tot bloedverwanten. Het doel van elk huwelijk was voor nakomelingen te zorgen. Deze moesten voorzien in de oude dag van hun ouders. Bovendien waren ze verwantwoordelijk voor het voortzetten van de dodencultus bij het ouderlijk graf. Hoewel het aantal kinderen per gezin heel hoog was, het sterftecijfer onder de jonge kinderen was dat ook.

De opvoeding van de kinderen was in de eerste jaren voornamelijk in handen van de moeder. Bij de zoon nam de vader vanaf een bepaalde leeftijd deze plicht over. Hij leidde hem op tot zijn assistent en opvolger. Moesten kinderen een andere beroep gaan uitoefenen dan hun vader, dan stuurde men ze naar scholen, die vaak onderdeel waren van de tempels. Hier leerde men vooral rekenen, lezen en schrijven. Een ander belangrijk punt in de opvoeding was de vorming van de persoonlijkheid naar een bepaald ideaal. Dit ideaal was nauwkeurig geformuleerd in de zogenaamde wijsheidsleren.

De kalender

De oude Egyptenaren waren zeer geïnteresseerd in de astronomie; de sterrenkunde. Al vele eeuwen geleden wisten zij onderscheid te maken tussen sterren en planeten. Zij kenden de planeten Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus en zelfs de bewegingen die deze hemellichamen maakten. De wetenschap van deze planeten resulteerde in de kalenders die de Egyptenaren maakten.

Deze eerste kalender was gebaseerd op de sterren. De belangrijkste ster was Sirius. De Egyptenaren noemden deze ster ook wel Sopdet en in het Grieks was het Sothis. Ze hadden ontdekt dat Sirius zich in een constante baan om de aarde begaf. Het gevolg van deze constante baan was dat de Egyptenaren de conclusie trokken dat als Sirius op een bepaalde plek stond de Nijl weer begon te overstromen. Op basis van het feit dat Sirius op deze bepaalde plek stond declameerde men dat dit de eerste dag van het nieuwe jaar (in het Egyptisch wepetrenpet) was.

De tweede kalender van de Egyptenaren was gebaseerd op de maan als belangrijkste hemellichaam. De baan van maan neemt echter 29,5 dag in beslag. Dit was een heel onhandige waarde en het gevolg was dat de kalender regelmatig aanpassingen behoefde om maar niet te veel uit te lopen. Het was waarschijnlijk Imhotep die daarin ten tijden van het Oude Rijk voor verandering zorgde. Hij baseerde de kalender op een jaar; hij wist dat een jaar 365 dagen in beslag nam. Ook dit zorgde voor problemen omdat een jaar ongeveer 365,25 dagen in beslag neemt. Het verschil was klein maar ook in het geval van deze kalender liep men langzaam maar zeker uit in vergelijking met Sirius.

De Egyptenaren deelden net als wij het jaar op in weken. Alleen bij de Egyptenaren kenden één week tien dagen. Drie weken vormden vervolgens één maand (30 dagen). Op zijn beurt vormden vier maanden weer één seizoen (120 dagen). En aangezien het jaar uit drie seizoenen (360 dagen) bestond, hadden de Egyptenaren het problemen dat ze vijf dagen te kort kwamen. Dit losten ze op door het toevoegen van vijf heilige dagen. Deze heilige dagen representeerde de verjaardagen van Osiris, Isis, Seth, Nephtys en Horus. Al deze dagen werden op het einde van het jaar toegevoegd en publieke gevierd als zijnde een feestdag. Dit gold overigens ook voor de tiende dag van de week, dit was een soort weekend.

 

De geneeskunst

De geneeskunde was een tak van onderwijs voor gevorderde schrijvers. Deze personen kwamen uit de hoogste sociale kringen en genoten van een uitstekende een reputatie in de gehele wereld. De kennis in van de geneeskunst werd gelijkgesteld aan die van de kennis van de rituelen. Hoewel de naam dokter bij ons misschien iets anders doet vermoeden waren de geneesheren niet vies van het uitspreken van een bezwering.

In de loop der jaren zijn er diverse papyrussen gevonden die betrekking hebben op de geneeskunst. Een bekende daarvan dateert uit het einde van het Middenrijk en wordt ook wel de Edwin Smith Chirurgische Papyrus genoemd. Deze papyrus diende als een naslagwerk en als leerboek. In deze papyrus worden een aantal gevallen beschreven met bijbehorende symptomen en het lichamelijke onderzoek wat vereist is. Dan wordt een diagnose gesteld en de verwachting van herstel (geneeslijk, behandelbaar en onbehandelbaar) indien mogelijk.

Twee andere papyri (de Ebers- en de Berlijnpapyrus) beschrijven de verbindingen, de kanalen, van het lichaam. Hiermee worden de aders, slagaders, spieren en pezen bedoeld. Het hart lag hiervan in het centrum. Vanuit dit centrum werd lucht, bloed en andere vloeistoffen (waaronder ziekten) vervoerd naar andere delen van het lichaam. Uit deze papyrussen blijkt dat de Egyptenaren goede anatomische kennis hadden van het lichaam. Het is niet duidelijk of ze deze kennis opgedaan hadden uit praktische ervaringen of het mummificeren van lichamen.

Zoals eerder gezegd was magie ook een middel om ziektes te bestrijden. Betoveringen om slangen te bezweren en slangenbeten te genezen, verlichten of voorkomen waren gangbaar. Dit blijkt uit een papyrus waarop veel slangen vermeld staan met bijbehorende nauwkeurig omschreven behandelvoorschriften. nclusief de magische spreuk!

Verloskunde en gynaecologie waren een specialisme in het Oude Egypte. Voor de bevruchting, zwangerschap, bevalling en bescherming van de pasgeborene was hulp van de goden belangrijker dan wat dan ook. Dat is ook de reden dat er in papyrussen wel wat kleine praktische tips staan maar vooral magische spreuken.

 

Economie en handel

Het is eigenlijk moeilijk een goed beeld te krijgen over de vroege periodes omtrent de handel en de economie. Er is simpelweg niet veel bewaard gebleven of niet gedocumenteerd. Pas vanaf het Nieuwe Rijk krijgen we er pas een goed beeld van. Dit is te danken aan Deir el-Medina. Deze stad was speciaal voor de arbeiders gebouwd in Thebe-West. In deze stad werkten ongeveer 120 families aan graven en tempels die speciaal voor de heersers gebouwd moesten worden in het Dal der Koningen. Deze arbeiders leefden eigenlijk alleen op de bouwplaats of in het dorp zelf dat afgescheiden lag van het Nijldal. De handel die ze dreven werd vaak vastgelegd in het hiëratisch schrift op kalksteen of aardewerkscherven. Op deze zogenaamde ostraca werden de goederenprijzen vermeld, of bijvoorbeeld de verhuur van de ezels of zelfs de verstrekking van een krediet. Als de tekst achterhaald was, bijvoorbeeld de huur van de ezels was afgelopen, wierp men deze scherven en stenen in de put. In het begin van de 20ste eeuw werden er verschillende putten gevonden door archeologen die tezamen een goed beeld gaven van de handel die gedreven werd.

De economie was strak geleid in het oude Egypte. Men kende het principe van een vrije beroepskeuze niet; de zoon volgde het beroep dat zijn vader deed en zo kon de vader direct als leermeester fungeren. De kinderen van de ambtenaren werden naar de weinige scholen gestuurd om hier te leren lezen en schrijven. Hierdoor konden zij later hun vader opvolgen. Ook het vrije ondernemersschap kende men niet in het oude Egypte.

Het loon was door de jaren heen altijd constant. Geld kende men niet. De Grieken maakten sinds de 8ste/7de eeuw voor Christus al gebruik van munten en introduceerde dit principe pas vier eeuwen voor Christus in het oude Egypte. Om een loon uit te betalen gaf men de medewerker in een zak van vastgestelde grootte graan (gerst of spelt). Aan de hand van rekenwaardes kon men dit omzetten in zilver en koper. Een voorbeeld: de twee voormannen en de schrijver van Deir el-Medina kregen als loon 2 zakken gerst en 5½ zak spelt. Eenvoudige werklui ontvingen een ½ zak gerst en 4 zakken spelt. De ongeschoolde medewerker ontving nog veel minder. De inhoud van een zak graan bedroeg 77 liter. De rekeneenheid van koper was de zogenaamde ‘deben’, één deben was 91 gram. Het duurdere zilver werd in ‘sjenati’ (7,6 gram) of ‘kite’ (9,1 gram) afgewogen. De waardeverhoudingen van het graan ten opzichte van het edelmetaal was onderhevig aan aanzienlijke fluctuaties. Gemiddeld kreeg een arbeider graan ter waarde van 7 deben koper terwijl een voorman voor gemiddeld 9,5 deben ontving. Het loon was vastgesteld en daaraan ook de arbeidstijd die ervoor gewerkt moest worden. Het gevolg was dat als een arbeider ziek werd, deze tijd ingehaald moest worden. Het bijhouden van de arbeidstijd gebeurde op lijsten die regelmatig vergeleken werden met de planning.

Prijzen die in Egypte betaald werden voor goederen werden dus vastgelegd op de zogenaamde ostracon. Hieruit kwam voort dat bijvoorbeeld levensmiddelen 1200 jaar voor Christus het goedkoopst waren. Voor een kip moest ongeveer ¼ deben betaald worden. Een halve liter vet moest het dubbele van de prijs opleveren. Manden, voorschotels en eenvoudige amuletten waren te koop voor 1 deben. Een klerenkast kostte een oude Egyptenaar hooguit 5 deben, een voetenbankje 2, een stoel kon wel 8 deben opleveren en bedden waren er tot 20 debben. Vee was nog duurder in die tijd. Een varken leverde 70 deben op, een rund kostte je 140 debben terwijl een ezel maar 30 deben kostte. Een hemd werd verkocht voor maximaal 5 deben maar de kostbare gewaden liepen zeker tot in de 60. Het is makkelijk een conclusie te trekken; sommige goederen waren gewoon onbetaalbaar of moesten op afbetaling gekocht worden.

Voor de begrafenis werden er onvoorstelbare hoge bedragen betaald. Een graf voor een arbeider was al snel 25 deben terwijl de voormannen voor hun versierde grafkisten zeker 200 deben neer moesten tellen. Een extra als een mummiemasker bracht zeker 40 deben op en een sarcofaag was nog aanzienlijk duurder. Maar een graf bestond natuurlijk uit meer. Kleding, meubelen, levensmiddelen, kruiken, beelden en andere voorwerpen maakten deel uit van de begrafenis. Je kunt er dus vanuit gaan dat een begrafenis van een simpele arbeider al snel 200 deben moest kosten. Omgerekend is dat toch zeker 30 maanden loon. Een schrijver of een eenvoudige ambtenaar stelde hogere eisen aan zijn begrafenis en was al snel 1000 deben kwijt. Een farao was het toppunt. Als we ter vergelijking alleen de ongeveer 100 kilo zware gouden grafkist van Toetanchamon nemen moet je ongeveer denken aan 35.000 maandlonen van een arbeider. Om dan nog maar niet te spreken over de overige voorwerpen die in het graf van deze jonge koning gevonden zijn. De waarde hiervan gaat eigenlijk nu nog ons voorstellingsvermogen te boven.

De economie functioneerde ondanks de strakke organisatie lang niet altijd goed. De eerste meldingen van stakingen komen dan ook uit Egypte. Omstreeks 1150 voor Christus verenigden de arbeiders uit Deir el-Medina zich en bezetten de grafkelders waarin zij aan het werken waren omdat er een betalingsachterstand was door problemen met de voedselvoorziening. De hoogste ambtenaar, de vizier, beloofde beterschap en men ging weer aan het werk. Omdat de lonen nog steeds niet uitbetaald werden ging men echter weer in staking. Pas toen de burgemeester zelf met de salarissen in de vorm van graan en koper aan kwam, ging men weer aan het werk. De eerste staking wereldwijd was een groot succes, zeker ook omdat de overheid af zag van sancties tegen dezelfde arbeiders.

Het is waarschijnlijk dat de ontwikkeling van de Egyptische economie parallel liep aan de ontwikkeling van de staat. De voorraadeconomie en de beginnende arbeidsverdeling staat ook in Egypte aan het begin van de geschiedenis. In het Oude Rijk werden talrijke nieuwe beroepen uitgevonden. Het productieproces volgens de arbeidsverdeling maakte zelfs de bouw van de piramiden en de reusachtige tempelcomplexen mogelijk. De immense betekenis van de landbouw kan men aflezen aan het feit dat in vrijwel geen enkel graf geen scène over de akkerbouw ontbreekt. De basis van de economie was ongetwijfeld de landbouw. Het is daarom waarschijnlijk ook niet verwonderlijk dat de farao vrijwel alle grond in zijn bezit had. En daarbij hoorden alle mensen die op die grond woonden. De farao gaf aan verdienstelijke ambtenaren grond ter exploitatie. Kwam hij op zijn besluit terug dan onteigende hij die persoon weer en verstootte hem ook uit de stand van grondbezitter. In latere tijden veranderde dit echter en kwamen er steeds meer stukken grond in het bezit van families. De farao hield echter wel zoveel over dat hij in ieder geval gegarandeerd was van inkomsten. Ondanks de strakke planning van de economie was deze toch flexibel genoeg om van een lang leven beschoren te zijn. Maar misschien is dat ook wel te danken aan het feit dat iedereen in deze economie bij wet verzekerd was van een baan en daardoor zelfs tot een bescheiden welvaart kon reiken. Of anderzijds misschien het feit dat iedereen onder streng toezicht stond van ongewenst gedrag zwaar en hard werd gestraft.

 

Wonen in het oude Egypte

Keuken

In de meeste gevallen lag de keuken in het achterste gedeelte van het huis, bij grote villa’s soms in de bijgebouwen. Omdat men vooral op open vuur kookte was de keuken niet overdekt. In een hoek bevonden zich een maalsteen voor het malen van graan en meel, een kleine oven voor het bakken van brood en een gemetselde vuurplaats voor het koken of grillen. Grote en kleine aardewerken kruiken dienden voor het bewaren van de voorraden. Men bewaarde hierin niet alleen dranken maar ook graan, meel, vet of olie en geconserveerd vlees. Voor beperkt houdbare levensmiddelen was in het huis een kleine lage voorraadkelder, die men via enkele traptreden vanuit de keuken kon bereiken.

De inrichting

Er zijn echter nauwelijks restanten van meubels gevonden in huizen. De meeste kennis weten we te halen aan de hand van grafvondsten. Daaruit zou blijken dat de muren bekleed waren met wandtapijten die kleurrijk geschilderd waren. Op de vloer lagen matten van gevlochten plantenvezels. Deze fungeerden soms ook als matras. In het Nieuwe Rijk schijnen stoelen te hebben behoord tot de gebruikelijke meubelen van het ambtenarendom. Er waren allerlei vormen van stoelen; van het eenvoudige lage krukje en de klapstoel tot de stoel met rug- en armleuningen. Vaak werden er kussens op de zittingen gelegd om het comfort te verhogen. De prijs van een eenvoudige stoel lag rond de 4 tot 8 deben koper. Tafels en kasten complementeren de inrichting. Als materiaal gebruikte men vaak hout maar ook wel stevig vlechtwerk. Echte grote tafels kent men niet, afgaande op tekeningen die gevonden zijn in verschillende graven. Bij grote maaltijden had iedereen een eigen tafeltje of een plaat die steunde op een houten onderstel. Om de kleding en andere persoonlijkheden te beschermen tegen kruipende dieren bewaarde men dit in nissen in het huis of bij de beter gesitueerden in grote houten kisten. Zelf sliepen de mensen ook op een verhoging om zichzelf ook van kleine dieren te vrijwaren.

Verzorging

De meerderheid van de Egyptische bevolking baadde in de Nijl of kanalen en vijvers. Alleen de elite kon zich in huis een bad of douche veroorloven. In de kamer waar het bad was bevond zich meestal ook het toilet.

Koningsschap

Het koning zijn was een goddelijke ambt. Zijn rol als plaatsvervanger van de koningsgod Horus op aarde zegt eigenlijk al genoeg. Vanaf de 4de dynastie wordt de goddelijke afkomst door de koningstitel 'Zoon van de Zonnegod' uitgedrukt. Sinds de regeerperiode van Hatsjepsoet wordt deze goddelijke afkomst voorgesteld in een beeldcyclus; de zogenaamde geboortelegende, waarbij de goddelijke vader in de periode van het Nieuwe Rijk de rijksgod Amon-Re is.

De Egyptische staat was een absolute monarchie. Volgens de wet ging alles wat er gebeurde in het land terug op de heerser. Hij had op grond van zijn ambt als enige wetgevende macht. Wetten en decreten werden door hem uitgevaardigd. Hij benoemde ambtenaren en priesters, die allen in zijn naam en als zijn plaatsvervanger taken in het land waarnamen. In de persoon van de koning vormen wetgevende en uitvoerende macht een eenheid.

De Egyptenaren hebben geen eigen begrip voor staat ontwikkeld. Het begrip staat moet omschreven worden met uitdrukkingen die altijd tevens de koning en het koninkrijk betekenen. Ook hieruit blijkt de centrale positie van de koning in het land: de koning is de staat.

De bronnen laten ons de koning zien als degene die alle beslissingen betreffende zijn rijk neemt. Al treedt er in officiële bronnen (teksten uit de Koningsnovelle) ook een staf van raadslieden op, hun overwegingen en voorstellen worden door de koning in laatste instantie genegeerd. Gedaan werd datgene wat de koning zei, en dat was juist! Op deze manier beschrijven deze teksten feitelijk niet de reeële situatie, maar documenteren ze de grootte, wijsheid en superioriteit van de koning. Daarmee onderstreepten ook zij zijn superieure machtspositie.

De koning was ook de bevelhebber van de krijgsmacht. Zijn persoonlijke aanwezigheid bij veldtochten is in vele gevallen bewijsbaar. Daarenboven was hij degene die de beslissing over oorlog en vrede nam en het leger liet oprukken.

De koning was niet alleen heerser over het Egyptische moederland, waarvan de klassieke grenzen in het noorden door de Middellandse Zee en in het zuiden door het cataractengebied bij Aswan gevormd werden, maar hij zwaaide ten tijde van de Egyptische expansiepolitiek ook de scepter over de veroverde gebieden in Nubië en Voor-Azië. Hij onderhield diplomatieke betrekkingen met buitenlandse staten. Deze betrekkingen zijn het best gedocumenteerd en in het in Amarna gevonden kleitablettenarchief met de de correspondentie tussen Egypte en de Voor-Aziatische staten. De koning was ook verantwoordelijk voor de ondernemingen op het gebied van de buitenlandse handel, waarvan de bekendste de expedities naar Poent zijn, die in koninklijke staatsopdracht plaatsvonden. Een militaire invasie in, of de verovering van, Poent heeft nooit plaatsgevonden. Vanaf de regeerperiode van Thoetmosis IV sloot men het liefst vrede door middel van een huwelijk van de koning met een van de prinsessen van het land waarmee de vrede gesloten was. Zo kwamen ten tijde van de 18de dynastie prinsessen uit Mitanni als koninklijke gemalinnen naar Egypte, net als later, tijdens Ramses II, de dochters van de Hetietenkoning. De vredelievende betrekkingen tussen de staten werden aldus in de persoon van de koning nogmaals gesymboliseerd door zijn huwelijk.

De rugleuning van de troon van Toetanchamon, gevonden in het graf dat Carter in 1922 vond.Het leger

De militaire organisatie

In de periode voorafgaand aan het Nieuwe Rijk had Egypte geen vast leger. Het leger bestond in die dagen uit mensen die aangewezen werden om te dienen op het moment dat er behoefte was aan een leger. De aanvoerders van deze legers bestonden uit personen die in het civiele leven ook de meerdere van de aangewezen personen waren. De bewapening van dit leger bestond uit knotsen, strijdbijlen en dolken. Als lange afstandswapens hadden de Egyptenaren lansen, slingers en pijl en boog. Als schilden gebruikten de mannen een houten raamwerk dat met dierenhuiden bespannen was.

Toen de tijd van het Oude Rijk aangebroken was, veranderde heel wat. Er werden voor het eerst huursoldaten ingehuurd. Kortom het eerste beroepsleger was gevormd. Als soldij kregen de soldaten een stuk land om te kunnen voorzien in hun onderhoud. Daarnaast vielen beloningen in de vorm van goud te verdienen. De strijdeenheden waren in kleine groepen onderverdeeld. Tien man, een groep, stonden onder leiding van een groepsleider. Een eenheid van honderd man was verdeeld in twee helften van elk vijf groepen. De gehele eenheid stond dan onder leiding van de groepsleider van de eerste groep in de eerste helft terwijl de groepsleider van de eerste groep van de tweede helft de zeggenschap over de gehele tweede helft had. Dit was tevens de organisatiestructuur zoals ze die in het civiele leven kenden.

Echt grote veranderingen dienden zich pas aan ten tijden van het begin van het Nieuwe Rijk. De Hyksos hadden zojuist jaren lang de zeggenschap in Egypte gehad omdat zij in die tijd over een machtig wapen beschikte. Dit Aziatisch volk had het Egyptische leger vrijwel vernietigd omdat zij de beschikking hadden over paard en wagen. Toen de indringers weer verdreven waren werd het belang van paard en wagen bewezen en het leger kon niet meer zonder. De Egyptenaren hadden een voorkeur voor lichte strijdwagens. Zo'n strijdwagen werd door twee paarden getrokken en had twee personen aan boord, de wagenmenner en een boogschutter. De boogschutter had het beste materiaal als het ging om de pijlen en de boog waarmee hij moest schieten. Steeds meer werden er huursoldaten gebruikt. Nubiërs werden vooral ingezet als boogschutter, terwijl Libiërs lichtbewapende infanteristen waren. Alle groepen hadden hun eigen officier. Deze groepen stonden op hun beurt weer onder leiding van een overste terwijl de overste weer onder bevel van een generaal stond. Opperbevelhebber van het leger was de farao zelf en droeg als opperbevelhebber de blauwe kroon. Afzonderlijke legeronderdelen werden vaak door zonen van de farao of door viziers aangevoerd. De bewapening van de Egyptenaren werd ook steeds beter. De schilden waren inmiddels uitgevoerd in hout met een bronzen schildenknop, de lansen kregen bronzen punten en de soldaten zelf werden beschermd door helmen en lederen pantserkleding, die met bronzen schubben uitgevoerd werden. Het wapen dat de soldaten hadden was een sikkelzwaard, ook een erfenis uit Azië.

Foerageren

Echte oorlogsschepen kenden men niet in Egypte. Men zette daarvoor altijd gewone Nijlschepen in die als bescherming voor de vloot moesten dienen. Men was echter wel ver met het bouwen van vestingen voor het beschermen van de goederen. Al in de vroege tijd is de vesting Elefantine bekend. In die tijd was het de meest zuidelijke gelegen stad en daarom een strategisch bolwerk. De aanvallen vanuit het zuiden moesten hier gepareerd worden. Om aanvallen in het oosten af te slaan hadden de Egyptenaren een muur opgetrokken. Later werd dit vervangen door een dicht netwerk van vestingen. Een belangrijke uitvalsbasis voor de meeste Egyptische krijgstochten naar Syrië was Sile, helemaal in het oosten van de Delta. Sile was een belangrijk steunpunt maar ook een handelscentrum en een tolstation. De vestingscommandant van Sile stond altijd hoog op de hiërarchische ladder.

Omdat het foerageren nogal moeizaam verliep door de woestijn, maakten de Egyptenaren het liefst gebruik van het water. Men kende namelijk in die tijd geen transportwagens en daarom waren ze aangewezen op de pakezels en muildieren. Omdat ook de eigen proviand meegenomen moest worden betekent dit dat hoe langer de route was, des te kleiner de vracht kon zijn. Als het even kon probeerde men het land zelf te profiteren. Daarom was een land als Syrië zo enorm belangrijk voor Egypte. Men wist het land goed in controle te houden. Door logistieke problemen en geografische omstandigheden waren er nauwelijks alternatieven voor de bestaande routes. Andere landen wisten hier vaak handig op in te spelen.

De slag bij Kadesj

Over de strategie en tactiek van het Egyptische leger is weinig bekend. Het meest waarschijnlijke is dat de plannen per situatie bekeken werden en daarop aangepast. Van intensieve plannen kon nauwelijks sprake zijn omdat het leger geen stafofficieren kende.

Er is maar een slag waarvan we de tactiek terug hebben kunnen vinden omdat we naast de Egyptische verslagen ook de verslagen van, in dit geval, de Hettieten hadden.

Thoetmosis III, de Napoleon van Egypte!

In het jaar 5 van zijn regeerperiode (1274 v.Chr.) besloot Ramses II om tegen de Hettietenkoning Moewatallis ten strijde te trekken. Ramses II verdeelde zijn hoofdleger in vier delen en deze moesten allemaal door de woestijn trekken richting de Dode Zee. Langs de bovenloop van de Orontes moesten ze vervolgens de stad en de vesting Kadesj aanvallen waar men dacht dat het Hettische leger zich ophield. Een tweede, aanzienlijk kleiner leger, moest via schepen ten noorden landen van Byblos en landinwaarts oprukken naar Kadesj. Dit tweede leger had vooral als doel de beveiliging van de goederen ten bate van het hoofdleger. Ook de farao en zijn lijfwachten maakten deel uit van dit kleiner leger. De strategie was duidelijk; Ramses II wilde via een tangbeweging de Hettieten onder de voet lopen.

 

Ramses II in zijn strijdwagen

Ramses II maakte echter een aantal onbegrijpelijke fouten. Ten eerste liet hij de vier corpsen van zijn hoofdleger om meer dan 10 kilometer van elkaar door de woestijn marcheren. In een woestijn zonder wegen betekende dit dat dat bijna een dagmars betekende wilde men een ander corps kunnen ondersteunen. Later bij het oversteken van de Orontes liet hij de legers niet tegelijkertijd oversteken en liet hij de verkenning achterwege omdat hij wel heel zeker van de overwinning was. Dit kwam hem later heel duur te staan. Vlak voor Kadesj ontstond een chaotische situatie. Ramses II was zelf de rivier overgestoken met het 1ste corps. Ook het tweede corps had de rivier inmiddels overgestoken maar de laatste twee lagen nog op de rechteroever te wachten. Daarnaast hadden de Egyptenaren twee bedoeïen gevangen genomen die berichtten dat de Hettieten zich laf hadden teruggetrokken. Ramses II wilde dit maar al te graag geloven. Hij had daardoor echter niet in de gaten dat het hier om spionnen ging. Alsof er niets aan de hand was trok Ramses II vervolgens op. Daar trof hij tot zijn schrik 1000 zware Hettitische strijdwagens met elk 4 tot 5 personen. Deze strijdwagens doorkliefden de linies van de Egyptenaren en rukte op. Het tweede corps werd op een doorwaadbare plaats in de rivier in de flank aangevallen en compleet vernietigd. Het gevolg was dat de afstand tussen het eerste corps de twee overige corpsen meer dan 20 kilometer was. Daarnaast lag ook de Orontes tussen deze legers in. Ramses vluchtte met zijn corps naar een heuveltop in de omgeving en richtte daar een kampement op. De Hettieten vielen dit echter snel aan en veroverde bijna het complete kamp maar puur door de dapperheid van de farao en zijn garde wisten ze een totaal fiasco te verkomen. De twee achterliggende corpsen werden snel op de hoogte gebracht van het geboekte resultaat en hielden halt om resten van de twee verslagen corpsen op te vangen.

Vervolgens gebeurde er een klein wonder. Op het moment dat de Hettieten het kampement aan het plunderen waren kwam het kleine zeeleger aan en deze vielen op hun beurt de Hettieten aan. Zij trokken vervolgens terug in de richting van Kadesj en Ramses bereikte in ijltempo zijn achterhoede. Hij trok zijn legers terug en liet in Egypte grootse feesten bouwen vanwege de overwinning die hij behaald had op de Hettieten. Bijna alle belangrijke tempelcomplexen die Ramses II liet bouwen werden ook voorzien van zijn versie van het verhaal. Zijn falen als legeraanvoerder was totaal te wijten aan het onderschatten van de tegenstander en zijn falen op tactisch gebied. Desondanks heeft hij door een toevallige aankomst van zijn kleine leger dat over zee kwam zijn eigen hachje kunnen redden.

 

 

 

 

 



 
reactie 1 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 1052

Dynastie
| 02 December 2006 | 13:49:31

Vroegste tijd

1ste dynastie 3032-2853 2de dynastie 2853-2734

Het Oude Rijk

3de dynastie 2707-2639 4de dynastie 2639-2504 5de dynastie 2504-2347 6de dynastie 2347-2216 7de dynastie 2216 8de dynastie 2216-2170

Eerste Tussenperiode

9de / 10de dynastie 2170-2020

Het Middenrijk

11de dynastie 2119-1976 12de dynastie 1976-1974

Tweede Tussenperiode

13de dynastie 1794-.... 14de dynastie ....-1648 15de dynastie 1648-1539 16de dynastie 1648-1539 17de dynastie 1645-1550

Het Nieuwe Rijk

18de dynastie 1550-1292 19de dynastie 1292-1185 20de dynastie 1185-1070

Derde Tussenperiode

21de dynastie 1070-945 22de dynastie 945-730 23de dynastie 756-730 24de dynastie 740-714

De Late Periode

25de dynastie voor 746-655 26de dynastie 664-525 27de dynastie 525-401 28de dynastie 401-399 29de dynastie 399-380 30de dynastie 380-342 31de dynastie 342-335

Overige dynastieën

Griekse dynastie 332-306 Ptolemaeuse dynastie 306-30 Romeinse keizers 30 v.Chr.-313 n.Chr.
 
reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 629

Bekende Farao's
| 02 December 2006 | 13:44:41
Enkele bekenden Farao’s.
 
AhmoseàHoewel Ahmose minder bekend is bij het grote publiek, was hij niet minder belangrijk voor zijn tijd. Ahmose was namelijk de stichter van de 18de dynastie. Het was Ahmose die Egypte bevrijdde van de Hysos die op dat moment Egypte bezette. Door onderzoek aan de zeer goed geconserveerde mummie van Ahmose is gebleken dat hij op ongeveer 35 jarige leeftijd is overleden.
Amenhotep IàDe zoon van farao Ahmose en zijn vrouw Ahmose Nefretiri, Amenhotep I, was de tweede koning van de 18de Dynastie. Hij kwam al op jonge leeftijd aan de macht nadat in eerste instantie zijn oudere broer aangewezen was als rechtmatige opvolger van zijn vader. In die vroege jaren heeft hij naar alle waarschijnlijkheid tezamen met zijn vader co-regentschap uitgeoefend. Hij regeerde vanuit de gedachtegoed van zijn vader maar ook zijn moeder speelde een belangrijke rol als God's vrouw van Amon. Amenhotep I trouwde waarschijnlijk zijn zuster Amhose Merietamon, ook een God's vrouw van Amon, maar er is weinig over deze relatie terug te vinden. Beter bekend is zijn dochter Satamon. Dit komt doordat haar lichaam gevonden is in één van de koninklijke caches. Ook zijn er twee twee beelden gevonden in de tempel van Karnak van haar.
Thoetmosis IàThoetmosis I werd geboren als een gewone burger van het Egyptische rijk maar werd door training een goede militair. Het is onbekend wie zijn vader was maar zijn moeder heette Semiseneb; een veelvoorkomende naam in die periode. Hij trouwde Ahmose; naar alle waarschijnlijkheid een zuster van Amenhotep I en dochter van Ahmose I en Ahmose Nefertari. Er zijn ook aanwijzingen dat Thoetmosis I de broer was van Ahmose Nefertari. Aangezien Thoetmosis I een belangrijk militair was is het niet ondenkbaar dat hij enige tijd samen met Amenhotep I geregeerd heeft tijdens de laatste jaren van Amenhotep I.
HatsjepsoetàKoningin Hatsjepsoet manifesteerde tijdens haar regeringsperiode hoofdzakelijk de mannelijke aspecten van haar persoonlijkheid. Na de korte regeringstijd van haar echtgenoot Thoetmosis II verdrong ze de onmondige Thoetmosis III van de troon en liet zich tot staatshoofd uitroepen. Er bestaan hier overigens nogal wat tegenstrijdigheden over. Er zijn ook verhalen dat Toetmosis III samen regeerde met Hatsjepsoet maar omdat zijn grote liefde bij het leger lag, schonk hij er in de vroege dagen van zijn regentschap weinig tijd aan. Dat zou Hatsjepsoet de vrijheid hebben gegeven om langzaam over te gaan tot het alleenheerschap. Ze vertoonde zich voortaan als man in mannenkleding en liet zich ook als zodanig aanspreken. Haar rebelse hervormingsdenken leverde haar snel veel vijanden op, maar ook bewonderaars. Vooral haar ideeën over staatsleiding doen ook tegenwoordig nog heel modern aan. Haar karakter wordt als zeer besluitvaardig, machtswellustig en onverzettelijk beschreven als het ging om het doorvoeren van hervormingen. Het logische intellect en de religieuze gestrengheid lieten haar wezen geen ruimte over voor vrouwelijkheid of fijngevoeligheid. Desondanks lukte het de charismatische koningin trouwe volgelingen om zich heen te verzamelen.
Thoetmosis IIIàDe jonge Thoetmosis III genoot zijn opleiding in de tempel van Amon in Thebe. Al vroeg tijdens zijn opleiding werd hij ‘gekozen door god’ als aardse vertegenwoordiger van het goddelijke rijk. Thoetmosis III was nog jong, negen jaar, toen zijn vader Thoetmosis II overleed en de troon aan hem deed toekomen. Vanwege deze jonge leeftijd kwam er een regentes aan de macht; zijn tante en stiefmoeder Hatsjepsoet. Ze nam plaatst op de troon als de ‘Vrouwelijke Horus’ en ging samen met Thoetmosis III regeren. Echter de twintig daaropvolgende jaren verdween Thoetmosis III in de anonimiteit, mede door toedoen van Hatsjepsoet die er al in het tweede jaar van haar regentschap alles aan deed om zijn positie te ondermijnen. Toch zat hij in deze tijd echter niet stil en werd een gewaardeerd en gerespecteerd militair  
Amenhotep IIàAmenhotep II lijkt een atletische jongeman te zijn geweest. Verscheidene afbeeldingen van de koning tonen hem als uitblinker in verscheidene sporten; daarnaast streefde hij naar een vergelijkbaar goede reputatie op militair gebied. Al vroeg in zijn bewind kreeg hij de kans hiertoe, toen de Aziatische steden in opstand kwamen na het overlijdensbericht van Thoetmosis III. Amenhotep II haastte zich de rebellen te bewijzen dat er met hem niet te spotten viel.
Thoetmosis IVàEr kan enige twijfel hebben bestaan over de legitimiteit van Thoetmosis IV's troonsbestijging, aangezien een lange inscriptie op de grote stèle tussen de poten van de Sfinx van Giza sterk naar propaganda voor de nieuwe koning riekt. Deze zogenaamde 'Droomstèle' vertelt hoe de jonge prins Thoetmosis op jacht was in de woestijn toen hij in de schaduw van de Sfinx in slaap viel. Re-Herachte, de zonnegod die door de Sfinx belichaamd werd, verscheen hem in een droom en beloofde dat wanneer het zand dat het grote kalkstenen lichaam opslokte weggehaald was, hij koning zou worden. Uiteraard werd het zand onmiddellijk opgeruimd en de prins werd de vierde koning met de naam Thoetmosis.
Amenhotep IIIàDe regeringsperiode van Amenhotep III duurde ongeveer 40 jaar en staat bekend om zijn voorspoed en vrede. Dit was niet in de laatste plaats te danken aan de opa van Amenhotep III, Thoetmosis III. Deze farao werd niet ontoepasselijk de 'Napoleon van het oudheid' genoemd. Hij legde de fundament voor deze stabiele periode door uitmuntende militaire acties in Syrië, Libië en Nubië. Zijn kleinzoon Amenhotep III hoefde alleen op kleine schaal op te treden en liet dat bijvoorbeeld uitvoeren door de onderkoning van Kush, Merymose, toen daar wat schermutselingen plaatsvonden.
EchnatonàEchnaton werd geboren als Amenhotep IV als zoon van Amenhotep III. Voor dat hij de troon besteeg was hij al in de echt verbonden met Nefertite. In het vijfde regeringsjaar van de farao veranderde hij van naam. Echnaton was meer een naam die bij het geloof hoorde wat hij nog maar kort geleden geïntroduceerd had. Het nieuwe geloof betekende dat alle goden ineens overbodig waren geworden. Er kwam voor alle goden één god in de plaats: Aton. Aton was er allerlei gedaantes en vormen. Op afbeeldingen is de meest gebruikte vorm die van een zonneschijf waaruit stralen in handen overgaan. Het volk was echter niet bepaald blij met deze omslag maar Echnaton drukte zijn zin door met geweld. Hij liet zelfs verwijzingen in tempels naar andere goden zo veel mogelijk wegbeitelen om de herinnering aan hen te doen verdwijnen.
ToetanchamonàToen op 4 november 1922 de arbeiders van de Engelse opgraver Howard Carter op de eerste treden naar de ingang van het grafcomplex van Toetanchamon stootten, konden zij niet weten dat zij de grootste sensatie in de geschiedenis van de archeologie teweeg zouden brengen.
De ontdekking was echter geen toeval maar het resultaat van lang zoeken. Al in 1914 had Lord Carnarvon, die de onderneming financierde, de werkzaamheden in het Dal der Koningen overgenomen, maar pas in 1917 begonnen de eigelijke opgravingen. Na jaren van mislukkingen en vanwege de aanzienlijke kosten wilde Carnarvon zijn betrokkenheid in het dal al in 1921 beëindigen, maar hij was erg onder de indruk van het aanbod van Carter. Hij zou bij een nieuwe mislukking de volgende campagne uit eigen zak betalen. Dat trok Carnarvon over de streep. Hij gaf toestemming tot een laatste poging. Want Carter bezat inderdaad voldoende aanwijzingen voor het bestaan van het graf van Toetanchamon, een tot dan toe in het duister gehulde heerser uit de 18de dynastie. Dat uitgerekend dit complex als enig koningsgraf van het Nieuwe Rijk met een haast volledige inrichting de oude grafrovers was ontgaan, is aan een gelukkige omstandigheid te danken. Bij de aanleg van het direct boven Toetanchamon liggende graf van Ramses VI (20ste dynastie) was de ingang van Toetanchamons graf definitief onder dikke lagen puin verdwenen en op die manier ook veilig voor plunderingen. Ook Carter had eerst op deze plaats zijn opgravingen beëindigd, om het bezoek van toeristen aan de tombe van Ramses VI niet te hinderen.
Bij de onverwacht vroege dood van Toetanchamon was, nadat hij nauwelijks tien jaar had geregeerd, nog geen koninklijk graf voor hem gereed. Daarom vond de begrafenis plaats in een vrij ondiep, klein complex. Via een korte trap bij de ingang komt men in de corridor, die in de voorkamer eindigt en oorspronkelijk volledig met puin was gevuld. Toen Carter en Carnarvon hier voor de nog dichtgemetselde doorgang stonden, konden zij de spanning amper verdragen.
Eerst verwijderde Carter voorzichtig enkele stenen en scheen hij met een kaars in de zo ontstane opening. Op de vraag van Lord Carnarvon of hij iets kon zien, antwoordde Carter met de legendarische woorden: "Ja, prachtige dingen". In het verdere verloop van de opgravingen, waarbij hij op ondersteuning van de wetenschappelijke staf van het Metropolitan Museum of Art in New York kon rekenen, bracht hij bijna 5000 objecten van adembenemende, nooit eerder geziene schoonheid aan het licht, waaronder de wereldberoemde schrijnen en sarcofagen, het gouden masker van Toetanchamon, diens troon en prachtige juwelen. Er was toch een teleurstelling bij Carter: hij vond namelijk geen geschriften op papyrus. Bovendien moest hij vaststellen dat grafrovers toch twee maal het graf bezocht hadden. Ze hadden kostbare oliën voor zalving en sieraden meegenomen uit het graf. Ze zijn waarschijnlijk gestoord, dat verklaart de enorme rotzooi die zij achtergelaten hadden. Vooral de kleinoden werden kriskras door elkaar in kisten geworpen. De geplande wetenschappelijke bewerking van de vondst werd Carter niet gegund. Hij stierf in 1939 in alle eenzaamheid, maar niet aan de 'vloek van de farao'. Het onderzoek van de grafschat is nog steeds gaande. Nog vele vragen over details wachten op opheldering. Als je bedenkt dat Toetanchamon een farao was van mindere betekenis in zijn tijd, kun je je afvragen hoe groot de schat zou zijn indien het hier een tombe betrof van een grote farao. Farao's zoals Ramses II, Toetmosis III en Amenhotep II hadden veelal meer tijd om rijkdommen te vergaren en zullen dat ongetwijfeld gedaan heb. Het is dan ook jammer dat dergelijke graven leeggeroofd zijn gevonden. Ook over de vraag naar de doodsoorzaak van de ongeveer 18-jarige farao kan alleen maar gespeculeerd worden. Een meervoudig onderzoek van zijn mummie heeft noch een ziekte nog het bewijs voor een geweldadig einde kunnen vaststellen.
De rugleuning van de troon van Toetanchamon, gevonden in het graf dat Carter in 1922 vond.
Merenptah àHet was de dertiende zoon die zijn vader Ramses II opvolgde na zijn overlijden. Merenptah (hetep-her-maat) was de geboortenaam van de farao wat betekende 'Geliefde van Ptah'. Hij besteeg de troon onder de naam Ba-en-re Mery-netjeru. Zijn leeftijd was inmiddels al niet meer echt gering. Met zijn naar schatting zestig jaren had hij zijn twaalf oudere broers waarschijnlijk simpelweg overleefd. Zijn koningschap staat enigszins bekend als saai alsmede een betrekkelijk korte tijd van ongeveer 10 jaar.
Cleopatra VII àWaarschijnlijk de bekendste Egyptische koningin, waarover nog steeds veel mythes en verhalen de ronde over doen. Ze werd omschreven als 'uitmuntend in intelligentie, vorming en cultuur'. Ze zette haar charme in om belangrijke mannen voor haar te winnen en zo haar plannen door te kunnen voeren. Cleopatra was echter anders dan Hatsjepsoet een toonbeeld voor vrouwelijkheid. Ze wist haar vrouwelijke charmes niet onder stoelen of banken te steken en hield evenveel van schoonheid en hartstocht als van politieke machtsspelletjes.
Cleopatra regeerde in eerste instantie doordat ze na de dood van haar vader, Ptolemaeus XII, haar minderjarige broer Ptolemaeus XIII van de troon stootte. Ze werd echter verbannen naar Syrië. Pas met hulp van de Romeinen lukte het haar de Egyptische troon te heroveren. Bij de Romeinse keizer Julius Caeser kreeg ze een zoon maar in diezelfde periode begon ze een liefdesrelatie met diens legeraanvoerder Antonius. Uit deze verhouding kwam de tweeling Alexander en Cleopatra en de zoon Ptolemaeus Philadelphos voort. Toen Antonius vanwege een strategische fout de oorlog tegen Rome verloor, pleegde hij zelfmoord. Tegelijkertijd werd Kaiserion, de zoon van Cleopatra en Caesar samen met zijn vader in Rome vermoord. Omdat Cleopatra de Romeinen niet de triomf van haar gevangenneming gunde, koos ze na de bijzetting van haar geliefde Antonius ook voor zelfmoord.
 
reacties 49 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 4846

Home Ontwikkeld door punt.nl gehost door mijndomein.nl| sinds: 2006-12-02